De Lerincks van Zutphen - Wie zijn ze? Waar kwamen zij vandaan? Een vergelijking van genen en historische bronnen.

                                                                                         

                   Pieligrim geheten Lerinck (Burgerzaal, Zutphen)                                     Schutte-Lerinck (Broederenkerk, Zutphen)         


Inleiding

Er waren anno 2015 in Nederland ruim 170 mensen met de achternaam Leerink, ruim 20 met de naam Lerink en zo'n 235 met de achternaam Leering. Dit zijn drie spelvarianten die zijn overgebleven van een stuk of tien die in de Middeleeuwen werden gebruikt. Al die mensen, plus hun familieleden in de USA, in Japan, in Canada, in Zuid-Afrika en in Engeland, stammen af van een handjevol mensen die Lerinck ( of een andere spelvorm zoals Lerinc, Lerinch, Leringh, Laerinck, Lerrinck of Leerinc) heetten. Die mensen leefden tussen de IJssel en de Duitse  grens. 

In de late Middeleeuwen, zeg maar tussen 1350 en 1500, waren er twee families die met deze achternaam werden aangeduid. De  ene familie leefde in Zutphen en de andere in Doesburg. Maar de Zutphense Lerincks heetten eigenlijk niet Lerinck: hun naam hebben zij rond 1360 overgenomen van de Lerincks in Doesburg.  De Zutphense Lerincks hebben een andere oorsprong dan de Doesburgse en stammen mogelijk af van een Deense piraat, die in de negende eeuw de Nederlandse rivierengebieden onveilig maakte.

Van de Doesburgse familie is de oorsprong niet bekend. Volgens sommige bronnen zou deze familie uit Baak komen en van Saksische oorsprong zijn. Ik ga daar in de pagina de Lerinck Doesburg verder op in. In deze pagina alles over de Zutphense Lerincks.

Interessant is te weten dat de Nederlands/Engelse familie Bentinck (èn de huidige koningin Elizabeth II van Groot-Brittannië, die een Bentinck als voorouder heeft) o.a. van de Zutphense Lerincks afstammen: zij hebben Catharina Lerinck,  dochter van Willem Lerinck uit Zutphen, als voormoeder. 

Als je van de Zutphense Lerincks (ca. 22 generaties terug in de tijd) afstamt, ben je dus genetisch gerelateerd aan de Bentincks en het Britse vorstenhuis.

Hoewel er tussen 1300 en 1500 niet erg veel Lerincks waren, moet ik zeggen dat een gemeenschappelijke achternaam, hoe weinig frequent ook, geen garantie is voor een familierelatie van de Leerinks, Lerinks en Leerings die nu leven. Papieren bewijs is er niet voor gevonden. Ik heb dna-onderzoek laten doen en als Leerinks, Lerinks, Leerings van andere takken dat nu ook laten doen, weten we meer!! Over mijn dna-onderzoek en de verrassende resultaten daarvan verderop meer. Maar eerst nog kort iets over het papieren onderzoek dat ik heb gedaan naar de familienaam, verwantschappen en achtergronden.

In dit onderzoek heb ik vastgesteld dat ca. 45% van alle mensen die Leerink heten afstamt van een militair uit Zwolle, die zich zo'n 250 jaar geleden in Varsseveld heeft gevestigd. De overige Leerinks stammen af van een man die in de zeventiende eeuw in Borculo is gaan wonen. De mensen die Lerink heten stammen eveneens van de Borculose tak af.

Hoe zit het dan met de Leerings? Hen kunnen we net als de Le(e)rinks in twee groepen verdelen. Het gaat hier om migranten die afstammen van een man die Lerinck heette, maar wiens naam in het westelijke deel van het land als Le(e)ring werd gespeld, omdat men de voor het Oosten karakteristieke -ink uitgang vreemd vond. Het gaat enerzijds om mensen die in de zeventiende eeuw vanuit Vreden (D) naar het Kennemerland zijn getrokken. Anderzijds om mensen die in die zelfde eeuw vanuit Neede naar Den Haag zijn gegaan en van daaruit in kleinere plaatsen in Zuid-Holland (in de omgeving van Alphen a/d Rijn) en het aangrenzende gebied in de provincie Utrecht terecht zijn gekomen. Leerings zijn dus genetisch verwant aan mensen met de achternaam Leerink, maar welke Leering aan welke Leerink  verwant is, is in het kader van dit artikel niet uit te leggen. Daarvoor zou je mijn boek over de geslachtsnaam moeten lezen, waarin ik zoveel mogelijk vertakkingen heb beschreven [1]. Genetisch onderzoek zou ook hier meer duidelijkheid in kunnen brengen.

In mijn historisch onderzoek naar de geslachtsnaam Leerink/Lerink/Leering [1] ben ik terug gegaan tot ca. 1300 en ik heb daarbij vastgesteld dat in Nederland  in de late Middeleeuwen Lerincks voornamelijk in de hanzesteden Doesburg en Zutphen woonden (de naam werd ook een keer in Arnhem en enkele malen in de Zuidelijke Nederlanden genoemd), hierover meer in Lerinck Doesburg op deze website. En in mijn boek [1].

De oudst bekende stamvader van de Zutphense Lerincks kwam uit een plaats tussen Deventer en Zutphen, genaamd Hanhorst (daar ligt nu Epse). De Lerincks van Zutphen zijn door huwelijk in juridische zin verwant aan die in Doesburg, maar in de mannelijke lijn is er geen verwantschap. De Lerincks in Zutphen heetten aanvankelijk Pieligrim de Hurste en werden later Pielegrim, Pelgrim, Pelegrim en zelfs Pelgrumm genoemd. De toevoeging Pielegrim, enz. is een verbastering van peregrinus (Lat. voor vreemdeling; zie verder deel II van deze pagina). Zij hebben de naam Lerinck pas tegen 1400 aangenomen, nadat Aleyt, een dochter van Jacob Lerinck uit Doesburg, met Willem Pelegrim uit Zutphen was getrouwd.

De oudst bekende Nederlandse dragers van de naam Lerinck worden vanaf ca. 1335 in Doesburg  genoemd (zie daarover Lerinck Doesburg).

De Zutphense Lerincks waren eigenlijk vreemdelingen, die rond 1100 tussen Zutphen en Deventer woonden, misschien zelfs al eerder, maar daarover heb ik geen acten kunnen vinden. 

Wanneer we de toevoeging "peregrinus" combineren met het feit dat een aanzienlijk deel van de huidige mannelijke Leerinks scandinavisch dna heeft, waarover zo dadelijk meer, dan is het mogelijk dat de Zutphense Lerincks van scandinaviische aflkomst waren: Vikingen of zeevarende handelaars. Zij werden aanvankelijk als vreemdelingen beschouwd. 

Later werden zij geaccepteerd en zelfs voorzien van een lage adellijke titel: ministerialen. Met bijbehorend familiewapen, dat opvallend veel overeenkomst met een vikingschild vertoont (zie deel II).

Er waren in de Late Middeleeuwen langs de IJssel dus twee families Lerinck met elk een eigen "paternal line". Dat wil zeggen dat hun y-dna niet overeenstemt. Als je het mtDNA (het mitochondriaal DNA, van moeder op dochter) zou testen, vind je ook geen overeenstemming, want Aleyt Lerinck had het mt-dna van een niet-Lerinck en gaf dat door aan (Mar)griete Pielegrim, geheten Lerinck, van wie we niet weten of ze getrouwd is geweest, dan wel kinderen had.  

Wie behoort nu tot welke "clan"? Door het ontbreken van archiefstukken in bepaalde periodes (vooral in de tijd van de Tachtigjarige Oorlog) en in bepaalde plaatsen (waar bijvoorbeeld door brand archieven verloren zijn gegaan) kan geen enkele Leerink, Lerink of Leering die nu leeft met zekerheid zeggen of hij/zij van de Doesburgse of de Zutphense Lerincks afstamt. Door indirect bewijs en vermoedens op basis van historisch niet altijd betrouwbare bronnen is het een en ander op zijn hoogst aannemelijk te maken. 

De Lerincks die in de zeventiende eeuw in Eibergen leefden zouden misschien van de Zutphense Lerincks kunnen afstammen, terwijl er vage aanwijzingen zijn dat de Needese Lerincks in die periode van de Doesburgse tak afstammen. 

Maar welke huidige naamdrager stamt nu van wie af? Ik zelf ben daarover iets meer te weten gekomen door dna-onderzoek. Omdat mijn voorouders van twee kanten bijna duizend jaar tussen de IJssel en de Duitse grens woonden, veronderstelde ik dat ik af zou stammen van  Saksen, frankische Chamaven of een andere stam die van oudsher in dit gebied leefde.

Daarover heb ik nu duidelijkheid: Ik stam af van een man die tot de Ingvaeones - zo werden zij door Tacitus genoemd - behoorde. Een man, die ca. 1600 jaar geleden in Noordwest-Europa aan de kust leefde en die waarschijnlijk zal hebben behoord tot het volk van de Juten. Dit volk migreerde in de vijfde eeuw van het Cimbrisch schiereiland (het huidige Jutland) naar Kent, maar sommige Juten kwamen door omstandigheden in het Noorden van Nederland en weer anderen in de omgeving van Rhenen terecht [2]. Een van de nakomelingen in de mannelijke lijn heeft zich tussen 450 en 1100 na Christus in het gebied langs de IJssel gevestigd. De nazaten van deze man namen later de naam Lerinck (of een andere spelvariant) aan. Was hij een vredelievende "Noorman" of was hij een op roof beluste Viking? Of misschien een huursoldaat? Op dit punt moeten we speculeren. Verderop mijn theorie daarover.

Er waren in het eerste millennium los van die paar Juten heel wat Noormannen in wat nu Nederland heet: Deense vazallen van de Frankische koning Lotharius, zoals de hertogen Klakk Haraldr en Hrœrekr, met hun legers en hun hofhoudingen. Zij leefden voornamelijk langs de kust, van West-Friesland tot in Vlaanderen, maar trokken langs de rivieren regelmatig het binnenland in.

Er waren ook Noorse en Deense Vikingen, die vanuit Denemarken (Jutland) en Engeland (York) overvallen pleegden langs de grote rivieren en de kust.

En er waren kooplieden die vanuit Scandinavië handel voerden in steden langs de Rijn, de Lek en de IJssel. 

Ik ben genetisch volgens het laboratorium FT DNA nauw verwant aan mensen die in Noorwegen, Zweden, Engeland, Spanje en de USA  wonen. Mensen die ik helemaal niet ken, maar die van dezelfde Ingwaeoon afstammen als ik. Een ding is zeker: ik heb dna, dat door sommige onderzoekers ook wel “Viking-dna” wordt genoemd.

Wat dit met de familie Lerinck in Zutphen te maken heeft, ga ik hierna uitleggen. Ik begin met deel I, het verhaal van mijn genen. Daarin ga ik verder op het "Viking-dna" in en leg ik uit hoe dit dna vanuit Scandinavië over Europa en de andere continenten werd verspreid. Daarin leg ik ook uit dat "Viking-dna" niet alleen door Vikingen , maar ook als gevolg van volksverhuizingen en andere activiteiten is verspreid.

Je kunt eventueel deel I overslaan en direct naar deel II gaan als je uitsluitend in de familienaam bent geïnteresseerd. In deel II laat ik  zien waarom het waarschijnlijk is dat de Zutphense Lerincks Scandinavische "roots"hebben. Deel II is meer een historisch en taalkundig betoog, waarin bovendien historische feiten worden gekoppeld aan resultaten die door dna-onderzoek zijn verkregen.

Wie wil weten of de takken Zwolle/Varsseveld, Vreden en Borculo genetisch verwant zijn, zal daar, zoals ik eerder suggereerde, verder onderzoek naar moeten laten doen. Een initiatief hiertoe is genomen in de tak Zwolle/Varsseveld. Het genetisch patroon van deze tak is dus bekend; dat is het thema van deel I van dit document. Het is nu aan iemand van de andere tak om een zelfde initiatief te nemen. Wie twijfelt of hij/zij van de Varsseveldse of de Borculose tak afstamt, kan bij mij te rade gaan.

Deel I            

Dna-test

In de afgelopen twintig jaar (ik schrijf dit in 2015) is het mogelijk geworden om je genetische oorsprong te laten uitzoeken. Je krijgt dan te horen tot welke haplogroep (een soort genetische stam) je behoort en met wie je mogelijk verwant bent. Aan het eind van de jaren negentig had ik in de krant gelezen dat men in een grot in Engeland een holbewoner uit de steentijd had gevonden, de zogenaamde "Cheddar man". Genetici en archeologen vroegen zich af of daar in de buurt na duizenden jaren nog nakomelingen van die holbewoner zouden leven en zetten een breed dna-onderzoek op onder scholieren in de streek. Twee scholieren uit het naastgelegen dorp bleken genetisch een "exact match" van de "Cheddar man" te zijn. Een geschiedenisleraar die voor de grap had meegedaan met het onderzoek had op één mutatie na hetzelfde mt dna als de holbewoner. 

De Cheddar man - zo  weten wij sinds 2018 door  verfijnd dna onderzoek in Groot Brittannië - had overigens een donkere huidskleur en krullend haar.Wij weten ook dat de mensen met dit dna vanuit het gebied ten Oosten van de Zwarte Zee zijn gekomen. Migratie is niet nieuw!!

Een paar jaar later zag ik op de tv iets over Amerikaanse en Surinaamse afstammelingen van Afrikaanse slaven, bij wie door middel van dna-onderzoek nauwkeurig kon worden vastgesteld tot welke Afrikaanse stam zij behoorden. 

Dit soort onderzoeken fascineerde mij en ik vatte het idee op om ook zo'n onderzoek te laten doen en de uitslag daarvan te koppelen aan wat ik reeds wist over de geschiedenis van mensen met de achternaam Le(e)rink/Leering.

Je kunt kiezen of je de mannelijke lijn volgt (het y-dna) of de lijn van al je voormoeders (mitochondriaal dna: het dna van mijn moeder en haar moeder en die haar moeder, enz.). Je kunt ook allebei laten uitzoeken, hetgeen ik heb gedaan. Ik behandel in dit verhaal de mannelijke lijn, omdat het hier om een onderzoek naar de naam Leerink gaat. Dat is een naam die zeven eeuwen lang vrijwel alleen door mannen is doorgegeven en waarvan de papieren geschiedenis dus gemakkelijk te koppelen is aan het y-dna.

Aangezien de maternal line voor dit verhaal geen rol speelt, doe ik in dit kader hierover geen mededelingen. Maar je mag wel weten dat de eerder genoemde holbewoner in Somerset genetisch verwant is aan mijn familie van moeders kant. Dat had ik nooit kunnen bedenken, toen ik er 20 jaar geleden voor het eerst over las.

Je kunt verder kiezen uit het aantal markeergenen dat je wilt laten onderzoeken: 12, 25, 37, 67 of 111. Een markeergen is een gen waaraan een mutatie is te zien. Zo nu en dan vindt in het y-dna door een kopieerfout een mutatie plaats. Daar mogen we blij om zijn, want door die mutaties kunnen genetici en archeologen zien hoe de mensen zich in de afgelopen 120.000 jaar over de aarde hebben verspreid. Als er nooit een mutatie had plaatsgevonden, waren alle genomen altijd gelijk gebleven en in zo'n eenheidsworst kun je geen verschillen ontdekken. Er valt namelijk niets te vergelijken. Maar juist door de mutaties kunnen de wetenschappers zien wanneer en waar groepen zich afsplitsten tijdens hun grote trek over de wereldbol. Daardoor weten we nu welke groepen van homo sapiens Afrika hebben verlaten, wie  naar Europa is getrokken en wie naar Azië, Amerika en Oceanië. En we kunnen zien welke groepen zich met Neanderthalers of andere mensachtigen (Denisovo-mensen) hebben gemengd.

De genografie is een jonge wetenschap, met nu al spectaculaire wetenschappelijke resultaten. Om het te begrijpen moet je wel bereid zijn je in volkomen nieuwe begrippen te verdiepen, zoals haplogroepen, haplotypen, SNP's, STR's en "allelen". Ook moet je historisch geïnteresseerd zijn en met een open mind naar de verschillen tussen mensen kunnen kijken. De bedoeling van deze wetenschap is natuurlijk niet om op een negatieve manier raciale verschillen bloot te leggen. Integendeel, we leren er van hoe interessant alle rassen zijn en dat ze in de basis gelijkwaardig zijn. We stammen uiteindelijk allemaal van dat ene kleine groepje af dat een honderdvijftigduizend jaar geleden in Afrika leefde. Het is bijzonder interessant om te ontdekken hoe alle groepen zich hebben aangepast aan de omstandigheden waarin zij terecht kwamen tijdens hun wereldreizen, want zo kunnen we de enorme trektochten wel noemen. Ik wil daar  nog aan toevoegen dat verschillen in kleur en lichaamsbouw te maken hebben met klimaat en levensomstandigheden, niet met natuurlijke aanleg. Minstens zo belangrijk en interessant is het om te kijken naar de overeenkomsten tussen de rassen, naar de kenmerken van homo sapiens die hem succesvoller op deze aarde hebben gemaakt dan de andere soorten als homo erectus, neanderthal, enz. 

Terug nu naar de technische kant van dna. Voor de geïnteresseerde lezer laat ik hier een citaat volgen waarin het goed wordt uitgelegd, beter dan ik dat zou kunnen. Het citaat komt van de publieke website van de familie Mous [3]:

"Het haplotype wordt bepaald door middel van de typering van STRs (Short Tandem Repeats). STRs zijn kleine stukjes DNA waarin een specifiek "blokje" van nucleotiden (DNA bouwstenen) een aantal malen herhaald voorkomt. Een verschil in het aantal herhalingen leidt tot een verschil in de lengte van de STR. De algemene term voor een dergelijke lengtevariant is "allel". Voor een STR komen altijd meer dan 2 allelen in een populatie voor. Ieder allel wordt genoemd naar het aantal voorkomende herhalingen. Het haplotype bestaat daardoor uiteindelijk uit een reeks getallen, welk overeen komen met de voor de verschillende STRs waargenomen allelen.

De haplogroep wordt bepaald door middel van de typering SNPs (Single Nucleotide Polymorphisms). Een SNP is een unieke verandering van 1 nucleotide naar een andere nucleotide (bijvoorbeeld een C verandert in een T). Ook bij een SNP spreken we van verschillende allelen, maar een allel is in dit geval geen lengtevariant, maar een verschil in 1 nucleotide. Een SNP heeft altijd 2 allelen, welke worden weergegeven als letters. De haplogroep bestaat dus uiteindelijk uit een reeks letters, welke overeen komen met de voor de verschillende SNPs waargenomen allelen. Volgens wereldwijd aangenomen afspraken worden deze letterreeksen vervangen door een eenvoudigere naamgeving, bestaande uit een aantal hoofd-haplogroepen (A t/m T), welke verder kunnen worden onderverdeeld in sub haplogroepen (in mijn geval de groep R1b3) ".

Tot zover het citaat. Terug nu naar de markeergenen. Hoe meer "markers" je laat onderzoeken, hoe unieker het onderzoek wordt. De kans dat je 12 genetische eigenschappen met een ander deelt is groot, maar met 25, 37, 67 of 111 dezelfde mutaties is de kans steeds kleiner. Des te unieker is dan de "match". Aan het aantal “markers” dat je laat onderzoeken hangt een prijskaartje. De prijs varieert van ca. 100 tot ca. 550 US-dollar (bij een gunstige koers is het een stuk lager in Euro's). Ik koos op aanraden van een ervaringsdeskundige voor 67 "markers". Dat is behoorlijk veel. Er was in Nederland al een wetenschappelijk project [4] geweest, waarbij aan de hand van slechts 16 "markers" het dna van honderden Nederlandse mannen was onderzocht. Dat project was afgesloten. Er was o.a. uit gebleken dat 50% van de Nederlandse mannen behoort tot de haplogroep R1b; dat is de groep die in West-Europa het meest voorkomt, met een piek in Groot Brittannië en Ierland. De tweede groep bleek haplogroep I1 te zijn, een groep die vooral in Scandinavië voorkomt. In Nederland behoort 16% van de mannen tot deze groep. Ik achtte op grond van dit onderzoek de kans groot dat ik tot de groep R1b zou horen.

“Viking” dna

Ik heb mijn y-dna in eerste instantie laten onderzoeken door het Texaanse laboratorium Family Tree DNA. Hier werken ervaren genetici en men heeft een grote databank, waar de deelnemers op vrijwillige basis en desgewenst anonym in worden opgeslagen. Als er "matches" zijn, waar ook ter wereld, krijg je die te horen, met daarbij het waarschijnlijkheidspercentage waarmee je verwant bent aan iemand en in hoeveel generaties dat bij benadering is. In maart 2015 stuurde ik twee samples van mijn wangslijm op in gecodeerde flesjes en na vier maanden van gespannen afwachten kwam de uitslag binnen. Ik stam af van een man die tot haplogroep I-M253 behoorde. In de maanden er na heb ik nog een aantal subgroepen laten testen, waarover verderop meer. De verfijning heb ik laten doen door FT DNA èn YSEQ in Berlijn. YSEQ werkt goedkoper en sneller. FT DNA heeft echter een uitgebreide database en geeft de "matches" aan je door; bovendien organiseren zij allerlei projectgroepen rond bepaalde thema's. Ik weet door al die testen nu meer over 6 voor mij interessante snp-mutaties bij mijn voorvaders die tijdens de steentijd en de bronstijd hebben plaatsgevonden (om latere mutaties bloot te leggen zou ik meer en duur dna-onderzoek moeten laten doen). 

Je vindt de haplogroep I-M253 in onze tijd in hogere concentraties (40-50% van de mannelijke bevolkingsgroep) in Noorwegen, Zweden en het Westen van Finland; in lagere concentraties in Denemarken (25%). Verder in Noord-Duitsland, Nederland, België, Normandië, Bretagne, Engeland en Schotland (16-18%). En in lage hoeveelheden (in de orde van 1 tot 4 %) in de rest van Europa. 

De mannen met dit y-dna stammen volgens de genetici allemaal af van een enkele voorvader die zo’n 10.000 jaar geleden in Centraal-Europa leefde. Zijn voorvaderen hadden lang daarvoor de Rift-vallei in Oost-Afrika verlaten en waren op het Saoedisch schiereiland terecht gekomen. Vandaar waren zij naar Europa getrokken. Zij liepen via de Balkan (in de Balkan is een variant van haplogroep I in tamelijk hoge concentraties aangetroffen) in de richting van de Alpen. Daar bogen zij af en verspreidden zich over wat nu Zuid-Frankrijk en het Iberisch schiereiland heet. In feite waren zij de eerste vertegenwoordigers van homo sapiens in Europa.

Het waren jagers-verzamelaars, die zich nooit ergens settelden. Zij behoorden net als ik tot haplogroep I en van enkelen van hen stam ik af, maar de mutaties die mijn sub-groepen bepalen hadden toen nog niet plaats gevonden. Een deel van de Cro-Magnon mensen in Frankrijk was drager van dit dna en het zou zo maar kunnen dat mijn oer-genoom de rotstekeningen in Lascaux heeft gemaakt.

Vanuit Zuid-Europa verspreidde dit type dna zich in noordelijke richting nadat het ijs van de laatste ijstijd begon te smelten. Dit vond ca. 10.000 jaar geleden plaats. Door de uitslag van dna-onderzoek op botresten en tanden uit prehistorische graven te combineren met de locatie van de graven en wat men daar aan ander materiaal vond, weet men dat vroege dragers van dit DNA tot de cultuur van de Bandkeramiek behoorden, die over een aanzienlijk deel van Europa verspreid was. We spreken dan over ca. 5000 jaar voor Christus.

Zo'n 5000 jaar geleden (omstreeks 3000 voor Christus) is de kenmerkende mutatie, het "kopieerfoutje", in het genoom van een van mijn voorvaders ontstaan, een kenmerk dat sommigen dus "Viking-dna" noemen. We moeten daar een kanttekening bij maken. Het is waar dat 3700 jaar later een aantal Vikingen drager van dit dna was, maar het is zeker niet waar dat dit dna uitsluitend door Vikingen is verspreid.  Niet alle Vikingen behoorden immers  tot de zelfde haplogroep: een behoorlijk aantal viel onder haplogroep R1a, naast velen die tot  I-M253 mogen worden gerekend. Mijn voorvader kan dus een Viking zijn geweest, maar net zo goed een handelsman of een huurling in dienst van de Friezen of een Engelse koning, want in al deze hoedanigheden zijn Juten tijdens het eerste millennium in Nederland geweest.

Die ene voorvader met dat "kopieerfoutje" had minstens een zoon, mogelijk meer. Alle mannelijke nakomelingen van hem hebben dat zelfde "kopieerfoutje" overgenomen. Na elke generatie waren er dus meer mannen met dat kenmerk, die natuurlijk ook de oudere y-dna-mutaties van alle generaties voor hen in zich droegen. Binnen de grote groep van mannen met y-dna I-M253 zijn er heel veel subgroepen met voor hen kenmerkende mutaties. Ik ken van mijzelf alle mutaties die tot ca. 200 jaar voor het begin van onze tijdrekening hebben plaatsgevonden.

De mutaties die daarna in het dna van mijn voorvaders plaatsvonden en die ik dus ook heb, ken ik (nog) niet. Het kost een hoop geld om dat allemaal te laten uitzoeken. Maar als je je "close matches" kent, vooral in andere landen, dan kun je toch een aardige reconstructie maken van het reizen en zeilen van je voorvaders. De research die voortvloeit uit de vraag hoe jouw eigen haplogroep en haar subgroepen vanuit Scandinavië in het gebied van je meest recente voorouders terecht zijn gekomen is bijzonder boeiend te noemen. 

Aan de hand van vondsten die in (pre)historische graven zijn gedaan kunnen genetici de waarden van DYS vaststellen. Met DYS [5] zijn diverse markeergenen bedoeld. De waarden van DYS staan voor "short tandem repeats" (str's), waarmee de korte termijn veranderingen worden aangegeven. Bij genetisch onderzoek wordt gekeken naar "Single Nucleotide Polymorphisms" (snp's; lange termijnveranderingen, die de haplogroep bepalen) en str's (short tandem repeats, korte termijn veranderingen, die het haplotype bepalen.

Als je de typerende waarden koppelt aan de vindplaats van het dna en aan de bijvondsten (gereedschap, bekers, sieraden, wapens, enz.) kun je nagaan tot welk volk iemand moet hebben behoord, soms zelfs als de persoon zich ver van de oorspronkelijke locatie van dat volk bevond. Ik zal verderop beschrijven waarom ik denk dat ik van het volk van de Juten afstam. 

Maar laten we eerst eens nagaan hoe dit genoom überhaupt in Scandinavië terecht is gekomen, voordat het van daaruit weer naar het Oosten, Zuiden en Westen "verplaatst" werd. Genetici en archeologen weten dat 10.000 jaar geleden mannen behorend tot de haplogroep I vanuit het Dordogne-gebied naar het Noorden zijn getrokken. Zij trokken achter het smeltende ijs aan, nadat de IJstijd tot een eind was gekomen. In wat nu Noord-Duitsland heet zijn er afsplitsingen geweest. Sommigen trokken naar het Westen, anderen verder door naar het Noorden, naar wat nu Denemarken, Noorwegen en Zweden heet. Zo ook mijn voorvader(s). Het waren nog steeds jagers-verzamelaars.

In Scandinavië gingen de jagers-verzamelaars zich onder invloed van andere volken, die afkomstig waren van het eiland dat nu Sardinië heet, met landbouw bezig houden. Er was lang niet altijd wild of ander voedsel te vinden. Maar graan kun je voor de winter opslaan. Langzaamaan gingen zij zich settelen. Het werden boeren, die er bij jaagden voor aanvullend voedsel. In sommige gebieden was door aanhoudende regens en andere invloeden geen landbouw (meer) mogelijk. Binnen Scandinavië zijn door klimaatinvloeden, maar ook door oprukkende concurrerende stammen in de eeuwen voor onze jaartelling veel "volksverhuizingen" op gang gekomen.

Ook vonden tussen ca. 100 en 600 na Chr. vanuit Scandinavië verscheidene volksverhuizingen in zuidelijke richting plaats, waarbij "noordelijk" dna over grote afstanden is verspreid, zelfs tot in Afrika en Byzantium. Bovendien reisden Vikingen, handelaren en ontdekkingsreizigers naar Europa, Azië en Noord-Amerika. Dat heeft eveneens zijn genetische sporen nagelaten. Ik heb bijvoorbeeld, hoe gek dat ook lijkt, een genetische "match" die een "native American" is. Ongetwijfeld is dit een nakomeling uit een duizend jaar oude liaison van een Indiaans meisje en een Viking, die tot haplogroep I-M253 behoorde.

Terug naar mijn voorvader de "Ingwaeoon". In de genografie wordt van een noordelijk en een zuidelijk cluster gesproken binnen mijn haplogroep, dit op basis van wat men aan de hand van dna-onderzoek heeft ontdekt. Omdat ik nogal veel genetische “matches” heb in Noorwegen en Zweden, heb ik de zoekopdracht laten verfijnen. Eerst kreeg ik te horen dat ik tot een bepaalde subgroep behoor, maar ik wilde ook weten of mijn genoom door de noordelijke variant, dan wel  de continentale of de West-Germaanse variant wordt gekenmerkt. Bepaalde mutaties zouden hierdoor uitgesloten of juist bevestigd kunnen worden, bijvoorbeeld het snp P109, “ultra-norse” genoemd en de subgroepen Z59 en Z138. 

Enkele mutaties vielen in de test negatief uit, maar een andere bleek positief te zijn. Daardoor weet ik zeker dat ik tot een bepaald cluster behoor. Mijn sub-haplogroep kent ook weer diverse subgroepen, die in onderstaand boomdiagram nog niet worden genoemd. Ik weet inmiddels dat ik onder een subgroep val die  ca. 3900 jaar geleden ontstond.

 

                                                                       


Het zuidelijke cluster

De mutatie die dit cluster kenmerkt ontstond ca. 3000 voor Christus). Het zuidelijke cluster wordt verdeeld in twee groepen: de Deens/Poolse groep en de westelijke groep. Omstreeks 200 voor Chr. ontstond een mutatie in mijn y-dna die  wordt gekenmerkt door een bepaalde waarde. Daardoor weet ik dat ik onder de eerste groep val. Dat is een groep waarvan de voorvaderen onder druk van andere Germaanse stammen vanuit Zuid-Scandinavië waarschijnlijk het water zijn overgestoken naar de zuidelijke Baltische kust (Oost-Duitsland, Polen). Later zijn deze mensen doorgetrokken naar het gebied dat nu Jutland heet.

Vanuit dit zuidelijke cluster is dit y-dna over de wereld verspreid. Het wordt in lage frequenties gevonden in Midden- , Oost- en Zuid- Europa, in Noord- en Zuid-Amerika, in Afrika en in Azië, met een piek in Engeland en Wales (hoewel dit laatste beeld kan zijn ontstaan door “oversampling”: het zijn in meerderheid Amerikanen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders en Canadezen met een afstamming in de UK of Ierland, die hun dna door FT DNA laten onderzoeken). 

Over deze subgroep is (nog) niet zo veel bekend. De groep wordt wel “atlantic german” genoemd. Het woord “german” wordt hier niet in zijn huidige betekenis “Duits” gebruikt, maar in de betekenis “germaans”. Het slaat dus op oudere bevolkingsgroepen, in mijn geval waarschijnlijk om  Juten. Het gaat ook niet over het geografische gebied dat nu Duitsland heet. “Atlantic” wijst op een gebied langs de Noordzeekust van Denemarken en Friesland. Het is dan ook niet vreemd, dat de door FT DNA geteste mannen die tot deze subgroep horen veelal langs de Europese kusten zijn te vinden, of preciezer: in die gebieden waar "Deense" handelaars, Vikingen en ontdekkingsreizigers naar toe trokken, gebieden zoals de Lage Landen, Oost- en Zuid-Engeland, Frankrijk, de Spaanse- en Portugese kustgebieden, Sicilië en landen langs de Zwarte Zee.

Binnen Europa zijn mannen met dit dna door FT DNA in lagere concentraties gevonden in Zwitserland, in de voormalige k. -und k. Monarchie (Oostenrijk, Slowakije, Hongarije), Bulgarije, Roemenië, Albanië, Macedonië, Griekenland, Oekraïne, Rusland, Oezbekistan en Kazachstan. Misschien zijn die lage concentraties te verklaren doordat in die landen minder mannen hun dna door FT DNA laten testen. Intrigerend is het wel, want hoe zou dit dna daar zijn terecht gekomen? Door migratie van noord naar zuid? Van west naar oost, middels Viking-activiteit?

Ca. acht Oost-Germaanse volkeren zijn vanuit het Baltische gebied via Centraal-Europa naar Oekraïene, de Krim en Centraal en Zuid-Europa (o.a. Italië, Frankrijk en Spanje) getrokken. De bekendste migranten zijn de Goten, de Bourgondiërs, de Rugiërs, de Gepiden, de Herulen, de Sciren, de Vandalen en de Longobarden. Ik denk dat de mutatie I-M253, die breed was verspreid over diverse Germaanse stammen, tussen de tweede en de zesde eeuw na Christus door deze reizende stammen over Polen, Rusland, Oekraïene, de Krim, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Roemenië, Italië, Spanje, Frankrijk en andere delen van Europa werd verspreid. 

In al deze landen heb ik genetische verwanten. Wij delen een oudere mutatie, die plaatsvond in een gemeenschappelijke voorvader  in de steentijd, maar wij delen zeker niet alle mutaties die daarna optraden.

Nog een mutatie

Binnen de eerder genoemde subgroep is ergens in Scandinavië een nieuwe mutatie ontstaan, ca. 1200 jaar voor de grote volksverhuizing en tijdens de Bronstijd. Ik deel met 18 mannen die ook hun dna hebben laten testen een "most recent common ancestor" die 2400 jaar geleden leefde, dus 400 voor Christus, zo'n 72 generaties geleden. Deze nakomelingen wonen voor het grootste deel (80%) op het vaste land van Europa, maar enkelen leven op de Britse eilanden. De eersten hebben voorvaders in Duitsland, in Zwitserland, in Italië, in Noorwegen, in Nederland en in België. Een Zwitser met een Franse naam en een Italiaan (uit Turijn) die tot ook tot deze sub-haplogroep behoren, zijn met een zekerheid van 89, resp. 91% genetisch aan mij gerelateerd, maar wel minimaal 24 generaties geleden. Aangezien mijn subgroepen niet alpien zijn, moeten deze mannen net als ik een “noorderling” als voorvader hebben. De vraag is hoe diens y-dna in de Alpen terecht is gekomen: via de Goten? De Bourgondiërs? De Herulen? Of misschien via de Vandalen? Al deze volkeren zijn op de plaatsen geweest waar veel van mijn "matches" vandaan komen (Scandinavië, Centraal Europa, de Alpenlanden, Italië, Roemenië, Portugal). De anderen wonen in Engeland, waar enkele van mijn jongere "matches" wonen. Verder in Ierland en in Schotland. Dat betekent dat mijn jongere genetische "matches" en ik moeten afstammen van een man of enkele mannen (broers, neven) die over de Noordzee reisde(n).

Het waren dus Vikingen of handelslui. Er is nog een andere mogelijkheid: een groot deel van de Juten heeft zich rond 450 na Chr. in Kent en in Meonware (een dal in Hampshire, GB) gevestigd. Dit verklaart mijn nauwe genetische relaties tot een man in Kent en enkele mannen in Dorset en Somerset. Maar het kan ook mijn relatie tot de mannen in het Alpengebied verklaren, want naar het schijnt hebben Juten als huurlingen deelgenomen aan de gevechten tegen de Langobarden, die in het Alpiene gebied woonden. Bovendien schijnen vrij veel Juten die zich aanvankelijk in Zuid Engeland hadden gevestigd, later weer naar de Lage Landen en Friesland te zijn getrokken, sommigen als lid van een Brits expeditieleger, anderen in grotere familieverbanden.

Een projectgroep waarvan de leden voorvaders in heel Europa hebben werkt er aan om de zoveel mogelijk (nieuwe) snp's in een phylogenetische stamboom te plaatsen en hoopt op die manier de verspreiding door migratie in kaart te brengen. We proberen door middel van de geografische verspreiding van deze groep vast te stellen uit welk deel van Scandinavië de voorvaders oorspronkelijk kwamen en hoe hun specifieke dna in Centraal-, Oost-, West- en Zuid-Europa terecht is gekomen. Er lijken zoals gezegd twee duidelijke oorzaken te zijn: migratie van diverse West- en Oost-Germaanse volkeren tussen grofweg 200 en 600 na Chr. èn Viking- en handelsactiviteiten tussen 600 en 900 na Chr.

Opvallend vind ik de aanwezigheid van een van mijn subgroepen in Groenland (maar wel verklaarbaar: afstammelingen van Deense kolonisatoren of van Vikingen). Opmerkelijk is dat deze eveneens wordt aangetroffen langs de Afrikaanse westkust: Guinee Bissau, Ivoorkust, Benin en Congo. Het kan hier om afstammelingen van Europese zeevaarders en/of kolonisatoren gaan, maar dan is het wel vreemd dat ze in de rest van Afrika niet zijn te vinden. Tenslotte wordt deze subgroep gevonden in het Midden-Oosten, India, Mongolië, Korea, Indonesië, de Filippijnen, China en Japan, zij het sporadisch. Aangezien het hier om een naar genetische maatstaven jonge mutatie gaat die in Noord-Europa plaatsvond, kan het snp zich alleen vanuit dit Zuid-Scandinavië hebben verspreid en waren de dragers van dit y-dna Europese mannen en geen Aziaten of Afrikanen. Ook in Azië en het Midden-Oosten moeten we dus aan de genetische invloed van kolonisatoren denken of aan Europeanen die daar actief waren / zijn, denk vooral aan Britten en Nederlanders die van Angelen, Saksen of Juten afstammen. Dit waren drie Germaanse stammen die nauw aan elkaar verwant waren en die gebieden bewoonden die naast elkaar lagen langs de kust van de Noordzee.

De theorie dat ik van een voorvader uit Jutland afstam wordt ondersteund door het feit dat veel Juten rond 448 na Chr. in het Deens-Friese conflict partij voor de Friezen hebben gekozen. Daardoor is ongetwijfeld ook genetisch materiaal in de Noordelijke Nederlanden terecht gekomen. Archeologen hebben in het gebied rond Leeuwarden graven gevonden die typerend zijn voor die van Juten (de manier van begraven, grafbijgaven met kenmerken van de Juutse cultuur). Een klein deel van de Juten zou zich in de vijfde eeuw in Frisia hebben gevestigd.

Waar kwamen de Juten oorspronkelijk vandaan? Er is een theorie dat zij uit de bergen bij het Skagerrak kwamen, uit een gebied dat Bohuslän heet. Daar is nu de grens van Noorwegen en Zweden. Vanuit dat gebied zouden zij naar de zuidelijke Baltische kust zijn getrokken (nu Noordoost-Duitsland en Polen). Aan het eind van de derde eeuw zouden zij naar het Cimbrisch schiereiland zijn gemigreerd, dat nu Jutland heet. En weer twee eeuwen later vertrokken zij en masse naar Kent.

Theoretisch zou ik dus wat nauwere genetische "matches" moeten hebben in het grensgebied van Noorwegen en Zweden, langs de Baltische kust, in Noord-Nederland en in Zuid-Engeland. Daarover gaat het volgende hoofdstukje.

De belangrijkste "matches"

Veel "matches" die ik hierboven heb genoemd zijn interessant, omdat je je afvraagt hoe ze zo verspreid over heel Europa kunnen zijn. Maar toch liggen zij vaak verder weg, in de bronstijd. Mensen met deze mutatie hebben zich meer dan een millenium later pas verspreid naar Centraal-, West- en Zuid-Europa. We kunnen dus geen steekhoudende conclusies m.b.t. mijn voorvader trekken, anders dan dat zij een "mrca" met mij delen die uit Scandinavië kwam.

Interessanter zijn wat dat betreft mannen die genetisch dichter bij mij staan. Volgens Family Tree DNA is er een aantal mannen in hun bestand van wie in 2015 niet bekend is of zij tot dezelfde subgroepen als ik behoren [6], maar met wie ik wel een voorouder deel in het meer recente verleden. Dan spreken we in genetische termen over minstens 24 generaties geleden. Ik heb vastgesteld dat er in mijn geval ca. 3 generaties per eeuw zijn (mijn voorvaders waren vaak het kind van de tweede of derde echtgenote; mannen huwden vaker door de hoge sterfte onder vrouwen), dus het gaat dan om minimaal 800 jaar voor mijn geboorte, laten we zeggen de twaalfde of de dertiende eeuw. Deze mannen behoren net als ik tot de haplogroep I-M253. Ik ken hun subgroepen niet. maar ik "match" met bijna honderd mannen op 25 "markers", met 3 mannen op 37 "markers" en met ca. 1100 mannen op 12 "markers". Er is zelfs een man die net als ik de 67-marker -test heeft gedaan en wiens voorvader in Durham met een zekerheid van 99% in de dertiende eeuw aan een van mijn voorvaders verwant is.

Belangrijk voor mij zijn degenen die op 25, 37 of 67 "markers" overeenstemmen en dan ook nog met een zo laag mogelijke "genetic distance". De voorvader van een Amerikaan bleek met een zekerheid van 99,9% aan mijn voorvader in de dertiende eeuw gerelateerd te zijn . Deze man is echter geadopteerd en kent zijn biologische ouders niet, zodat we niet verder komen. Na de Amerikaan komt een man met een Spaanse naam, van wie ik weet dat hij in Spanje woont. Ook zijn voorvader in de dertiende eeuw is met een waarschijnlijkheid van ruim 99% aan mijn voorvader in die periode gerelateerd. Deze man reageert niet op mijn contactverzoeken.

Dan is er nog de man uit Kent, die zijn voorouders tot ca. 1100 heeft kunnen traceren. Deze man heeft met een waarschijnlijkheid van meer dan 99 % een gemeenschappelijke voorouder met mij op zijn laatst in de dertiende eeuw. Hij zou van Juten kunnen afstammen, een volk dat zoals ik eerder opmerkte rond 450 na Christus van Jutland naar Kent en het gebied bij Portsmouth emigreerde. Wat interessant is: deze man liet mij weten dat zijn voorouders in Kent over boten beschikten waarmee zij de oversteek naar het continent maakten. Ook de Lerincks / Pielegrims van Zutphen voeren met boten over de rivieren om handel te drijven, al weet ik niet of zij de Noordzee overstaken (zeker is echter dat zij Denemarken bevoeren).

Andere opvallende “matches” wonen in Noorwegen (5 mannen), Zweden (3 mannen) en in de USA (1). De Noren en  Zweden zijn met een waarschijnlijkheidsheidspercentage van 97,84% aan mij gerelateerd, net als de Engelsman en de Spanjaard minimaal 24 generaties terug. Dit geldt ook voor de  Amerikaan met Engelse voorouders in Somerset. 

Wat kunnen we hieruit afleiden? Mijn "matches" zullen net als ik afstammen van een West-Atlantische Germaan, die vijfduizend jaar geleden werd geboren. Maar van degenen die in de Middeleeuwen een voorouder met mij delen, zal de "mrca" in de Vroege Middeleeuwen nog in het Zuiden van Scandinavië hebben gewoond. Hij moet dan als Viking of als handelaar naar Engeland, Spanje en Nederland zijn gereisd, want zijn dna is pas nà de grote volksverhuizing verplaatst. Angelen, Saksen en Juten vertrokken al rond 500 na Christus naar de Britse Eilanden en de Lage Landen. Nader onderzoek van snp's moet hier duidelijkheid in brengen.

Belangrijkste “matches” in kaart gebracht

Met belangrijkste "matches" bedoel ik mannen die in de woorden van FT DNA met een waarschijnlijkheid van tussen 97% en 100%  "share a common ancestor within the last 24 generations". Het gaat hier om mannen die op 25 markeergenen "matchen", met een genetische afstand van maximaal 1. En om mannen die op 37 markeergenen met mij "matchen" met een genetische afstand van maximaal 4.


             

                                            

De oudst bekende “relaties” in Zweden woonden in Jämtland (1465) en langs de Botnische Golf, in de buurt van Skelleftea (1540). Jämtland hoorde overigens voor 1645 bij Noorwegen. Je zou dus ook kunnen zeggen dat de man uit 1465 Noorse roots heeft. De Noren zijn te herleiden tot Meland bij Bergen en tot plaatsen ten Noorden van Oslo. Dit ligt vlak bij Bohuslän, de mogelijke oorsprong van de Juten. Zuid-Engeland is vertegenwoordigd met een "97,4 % match" in Somerset en een in Kent (ruim 99%). Verder Spanje (onbekende locatie), ruim 99%.

Matches in Nederland

In Nederland zelf heb ik tot nu toe drie interessante matches gevonden. Waarom zo weinig? Ik heb hiervoor een simpele verklaring: Waarschijnlijk hebben niet veel Nederlanders hun DNA bij FT DNA in Houston laten onderzoeken. Opvallend bij deze personen is dat zij alle drie een “exact match” zijn op 12 “markers”. Bij 12 “markers” kan sprake zijn van toeval, maar deze mannen hebben wel alle drie voorvaders op een plek die door Noormannen / Vikingen werd gefrequenteerd: in Vlaardingen, in de buurt van Asselt (Limburg) en in Vianen aan de Lek. Bovendien liet FT DNA weten dat er sprake is van een genetische afstand van 0 en dat zij met een waarschijnlijkheidspercentage van 90 genetisch aan mij gerelateerd zijn (minimaal 24 generaties terug). Een kaartje laat zien hoe goed verkeer over de rivieren mogelijk was in de negende eeuw. Handelslui en indringers konden via de Zuiderzee gemakkelijk de IJssel opvaren. Vanuit Vlaardingen kon men via de rivier Utrecht, Tiel, Zutphen, Deventer, Arnhem en Noord Limburg bereiken.


                                                          

 

Ik vond enkele Nederlandse mannen die net als ik tot een bepaalde subgroep  worden gerekend. Van deze mannen wordt er echter door FT DNA slechts een als mogelijke “match” opgevoerd. De anderen tonen te veel verschillen in de allelen op diverse “markers”.

Viking- en handelstochten

Nadat de noordelijke jager-verzamelaars boeren waren geworden, ontstond in de noordelijke en de zuidelijke clusters gaandeweg een samenleving waarin de oudste zoon altijd erfde. Jongere zonen moesten daarom elders hun heil zoeken. Dat deden zij door op onderzoekstocht of rooftocht te gaan. Anderen werden handelaars, die heel Europa bevoeren dank zij hun geweldige beheersing van de zeevaart en de navigatie. Rond 300 na Chr. begonnen zij vanuit Scandinavië in andere gebieden binnen te dringen.

De jonge Noormannen trokken naar het zuiden, het westen en het oosten, op zoek naar nieuwe leefgebieden of buit. De groepen uit Noorwegen trokken vooral naar het westen: naar de Schotse Hooglanden, IJsland, Groenland en verder (er is bewijs dat zij Amerika verkenden lang voordat Columbus daar voet aan wal zette). De Zweedse groepen, met name de Goten, trokken door Polen en Rusland naar het zuiden. De Deense groepen drongen het Schotse Laagland, Engeland en het noordwestelijk kustgebied langs de Noordzee binnen.

Er was ook soms sprake van gemengde tochten. Dan namen zowel Noorse als Deense en Zweedse Vikingen deel aan een tocht. In de Noordelijke punt van Jutland bevonden zich twee verzamelplaatsen waar Vikingen uit de drie landen samenkwamen om opgeleid te worden. Van hieruit gingen zij op rooftocht. Het betreft Aggersborg aan de noordkant van de Linsfjord en Fytkat op de kop van de Mariagerfjord. Die tochten werden tot in de dertiende eeuw voortgezet. De Zweedse runoloog Prof. Sven Janson toont dit overtuigend aan door middel van zijn uitleg over de teksten op veel runenstenen in Zweden, waarop de gevallenen worden herdacht met naam, jaar en plaats waar zij gevallen zijn [11]. 

Het is belangrijk om een verschil te maken tussen Noormannen en Vikingen. De eersten hadden doorgaans vreedzame bedoelingen. Het waren handelaren en ontdekkingsreizigers. De Vikingen waren degenen die roofden. Zij waren piraten, op zee zowel als op het land. De Vikingbendes waren een bont geheel van jonge mannen uit Scandinavië, aangevuld met misdadigers en mannen uit gebieden die zij aanvielen en die zich bij hen hadden aangesloten. Zo trokken in de negende eeuw Vikinglegers via East Anglia naar York, van waaruit zij over een deel van Engeland heersten (de zg. “Danelaw”) en rooftochten naar de Lage Landen ondernamen. Verder trokken behalve Noordse kooplui Vikingen vanuit Denemarken naar Friesland en de Noord-Duitse kust en naar de Hollandse, de Zeeuwse, de Vlaamse en de Franse kustgebieden (zoals Normandië).

Via de grote rivieren en de Zuiderzee trokken Vikingen landinwaarts, tot in Limburg. Ongetwijfeld hebben sommigen van hen vrouwen aangerand en verkracht [7], maar anderen vestigden zich hier nadat zij met plaatselijke meisjes waren getrouwd. Er waren ook Vikingschepen waar de eigen vrouwen aan boord werden meegenomen. Deze gezinnen vestigden zich hier en daar, zeker ook in de Lage landen. Met name in Friesland schijnen zich veel Noorderlingen te hebben gevestigd. Als je mijn haplogroep in Nederland in kaart brengt, zie je concentraties van mannen die tot deze haplogroep behoren langs de rivieren in Midden- en Oost Nederland, langs de westkust (Zuid-Holland, het Kennemerland, West-Friesland) en in het Noorden van het land. De verspreiding van I-M253 is op de kaart gevisualiseerd in rode cirkels. We zien een duidelijke concentratie langs de rivieren en in het noordelijk kustgebied, met uitlopers naar beneden [8]. Let wel: dit is gebaseerd op de data van de mannen die tot nu toe hun y-dna hebben laten onderzoeken bij FT DNA. 



                  


Vikingen belaagden Zutphen en Deventer

In mei 1998 werden archeologen die in Zutphen bezig waren, geconfronteerd met skeletten en brandlagen uit de negende eeuw. Ik zal niet alle details beschrijven. Hiervoor voldoet het artikel “Vikingen in Zutphen” van archeoloog Michel Groothedde [9]. Voor mijn verhaal is belangrijk dat met dit onderzoek is bevestigd dat Zutphen en Deventer in 882 door Vikingen zijn platgebrand en dat daarbij veel slachtoffers zijn gevallen. Zutphen was een koningspalts die werd bestuurd door de rijke graven van Hamaland. En Deventer was een welvarende handelsstad. Er viel veel te halen.

Waar kwamen die piraten vandaan? Rechtstreeks uit Denemarken? Of van een andere plaats? Het is bekend dat ze meerdere keren vanuit het Westen via de rivieren in oostelijke richting voeren. Men vermoedt, dat deze rovers in 882 aanvankelijk van plan waren Deventer te beroven, maar onderweg Zutphen passeerden en daar eerst hebben huis gehouden. Als dit waar is, dan moeten ze vanuit het Zuiden of het Westen zijn gekomen en niet vanuit het Noorden. Welnu, de vondst van een nietig muntje wijst er op dat ze inderdaad via een van de grote rivieren naar het Oosten zijn gevaren en toen via de IJssel omhoog zijn gebogen. Het muntje is geslagen door een muntmeester in de Engelse stad York tussen 840 en 844. Vanaf 866 was deze stad in handen van Vikingen. Deze Vikingen zouden strooptochten naar onder meer Nederland hebben ondernomen. Waarschijnlijk heeft een van de overvallers het muntje verloren. Dat is althans de theorie van Zutphense archeologen, die internationaal erkenning vindt. Engelse Vikingen van Deense komaf zouden mijn genetische verwantschap met mannen in zowel Engeland als Scandinavië kunnen verklaren.

Vikingen in “Nederland”

Er hadden zich niet alleen Vikingen in Engeland gevestigd. Het Kennemerland en Frisia werden door Vikingkrijgsheren bestuurd met goedvinden van Frankische koningen. En in het Limburgse Asselt hadden zij een verdedigingsburcht gebouwd, van waaruit zij hun strooptochten konden ondernemen. In dat zelfde jaar zijn Zutphen en Deventer door Vikingen platgebrand. Als deze rovers uit Asselt kwamen, dan moet dat in het vroege voorjaar zijn gebeurd, met name in maart of april. Asselt werd namelijk vanaf de maand mei van het jaar 882 belegerd door troepen van de Duitse keizer, die de aanvallen zat was. Ik citeer [10]:

“Onmiddellijk na begin mei 882 in Regensburg het koningschap van Oost-Francië op zich te hebben genomen, belegde Karel de Dikke, die toen reeds keizer was, een vergadering (eind mei 882) in Worms om een koers uit te stippelen tegen de Vikingen, die een kamp bij Asselt hadden opgeslagen. Een leger bestaande uit Franken, Alemannen, Bajuwaren (Beieren), Thuringers, Saksen en Lombarden werd samengesteld op naar het noorden te marcheren en de Vikingen te verdrijven. De Lombarden, Alemannen en Franken trokken langs de linkeroever van de Rijn naar het noorden, terwijl de Beieren langs de rechteroever optrokken om bij Andernach over te steken. De keizer verkoos de versregel: "Wat kan het mij schelen of ik win door geweld of door list?" als zijn strategie. Hij stuurde een strijdmacht van Beieren en Franken onder respectievelijk Arnulf van Karinthië en Hendrik van Babenberg vooruit om een verrassingsaanval op de naar hij hoopte nietsvermoedende Noormannen uit te voeren.Hoewel de Vikingen niet gewapenderhand werden gedwongen om hun kamp op te geven, werden zij door de Frankische overmacht wel gedwongen om onderhandelingen te beginnen. Tijdens deze onderhandelingen werd hun leider, Godfried de Noorman, de hertog van Frisia, gedwongen zich tot het christendom te bekeren. Volgens de bevooroordeelde vertelling van de Mainzer voortzetting van de Annales Fuldenses, stond het Vikingkamp op vallen toen de aartkanselier van het Oost-Frankische Rijk, Liutward van Vercelli, die zou zijn omgekocht door de Vikingen, de keizer ervan overtuigde om gezanten van Godfried te ontmoeten en om vrede te sluiten; er werden zelfs gijzelaars uitgewisseld. Godfried kreeg de gouw Kennemerland, die vroeger door Rorik werd geregeerd, toegekend als een vazal van Karel de Dikke. Karel sprak ook af om een Danegeld te betalen aan de Vikingleider Sigifrid, deels te betalen door gelden aan de kerken onttrekken. De Mainzer voortzetting portretteerde het leger als zeer ontevreden met hun keizer. De Beierse voortzetting vermeldt daarentegen slechts dat de initiële hinderlaag werd gedwarsboomd door verraders en dat het daaropvolgende beleg - dat twaalf dagen zou hebben geduurd - moest worden afgebroken als gevolg van de verspreiding van ziekten als gevolg van rottende lijken en een zeer zware hagelbui. Godfried zwoer, volgens deze vertelling, eden waarin hij Karel beloofde zijn koninkrijk nooit meer te verwoesten. Ook aanvaardde hij dat hij zich tot het christendom diende te bekeren. Hij werd gedoopt waarbij Karel als zijn peetvader optrad”

Als de Vikingen vanuit dit kamp Zutphen en Deventer hebben overvallen, dan zou dit zoals gezegd in maart of april 882 moeten zijn gebeurd. Voor maart waren de rivieren bevroren en na mei vielen de Vikingen niet meer aan, omdat een voordelige overeenkomst met Karel de Dikke was bereikt. Een strooptocht heeft een voorbereiding nodig en kent ook een nasleep, die tijd kost. Ik denk dat de overvallers van Zutphen en Deventer waarschijnlijk niet tot Godfried’s of Sigifrid’s troepen behoorden en dat onderstreept de andere mogelijkheid die de Zutphense archeologen hebben geopperd, namelijk dat de raiders uit York afkomstig waren.

Pelgrim

Ik kom nog even terug op de man met de Spaanse achternaam. Hoewel het, op grond van wat ik hierboven beschreven heb, heel goed mogelijk is dat een Viking of een Scandinavische handelaar zijn dna op het Iberisch schiereiland heeft achtergelaten, kunnen we niet uitsluiten dat een man uit Nederland een pelgrimstocht naar Spanje heeft ondernomen en daar sexueel contact met een Spaanse vrouw heeft gehad. Terug in Nederland werd hij zoals zo velen die zo iets hadden ondernomen, "pelgrim" genoemd. Was de naam van de familie Pielegrim inderdaad een patroniem? Of betekent Pieligrim iets anders? Op deze belangrijke vraag zal ik in het hierna volgende deel II uitvoerig ingaan.

Conclusie

Als in het y-dna van mijn grootvader een mutatie plaatsvond, dan zal deze mutatie te zien zijn in het y-dna van mijn vader en zijn broers en ook in dat van mij, mijn broer en mijn neven. Maar een mutatie in het y-dna van mijn zoon zal niet te zien zijn in mijn y-dna en ook niet in dat van zijn neven. Maar wel in het y-dna van zijn zoon en diens eventuele mannelijke nakomelingen. Er blijft een familierelatie zichtbaar, maar in de loop van de tijd zal de genetische afstand groter worden. Er ontstaan vertakkingen aan de phylogenetische boom. Ik vermoed op grond van de mutaties in mijn eigen y-dna dat er tussen mutaties in snp's gemiddeld enkele honderden jaren liggen.

Hieruit kunnen we een belangrijke conclusie trekken. Hoe verder de mutatie terug ligt, hoe meer mannen drager van deze mutatie zullen zijn. Er zijn miljoenen mannen met de mutatie I-M253 en die mannen hebben een gemeenschappelijke voorvader. Maar elke mutatie die daarna ergens in die groep plaatsvond, geldt niet voor alle mannen met I-M253, echter wel voor een kleiner aantal dat generaties later leeft. Hoe verder de nieuwe mutaties in tijd verwijderd zijn van die ene mutatie in onze verst verwijderde gemeenschappelijke voorvader, hoe minder mannen dan  de nieuwe mutatie delen. 

In mijn geval zijn er bijvoorbeeld in een periode die tussen 5000 en 2400 jaar geleden ligt 6 mutaties in snp's geweest. De mannen met wie ik alle 6 mutaties deel, staan genetisch dichter bij mij dan de andere mannen die tot de oorspronkelijke haplogroep behoorden, omdat die mannen deze 6 mutaties niet kennen.

Wij delen dus een Noordzee-Germaan als "most recent common ancestor", een man die 3100 jaar geleden leefde, vermoedelijk in Jutland of het noordelijkste deel van wat nu Schleswig-Holstein is.

Wat is er met de directe mannelijke nazaten van deze Germaan gebeurd? Zeer kort na de mutatie die wij delen heeft in een van zijn mannelijke nakomelingen opnieuw een mutatie (genaamd Y8341) plaatsgevonden, die alleen hij en zijn zonen deelden. In Zwitserland en Duitsland vinden we eeuwen later enkele mannen die deze mutatie kennen. Hun y-dna is dus via een trek naar het Zuiden daar terecht gekomen. 

2500 jaar geleden vond in een andere groep van zijn afstammelingen mutatie Y7057 plaats. Mannen met deze mutatie vinden we later in Zwitserland, Duitsland, België, Engeland en Ierland.

Bij nog weer andere mannelijke nakomelingen van deze Noordzee-Germaan vond 1600 jaar geleden, dus omstreeks het jaar 400 na Chr., opnieuw een mutatie plaats, die met Y8362 wordt aangeduid. Deze mutatie vinden we bij enkele mannen in Engeland. Waarschijnlijk is het dna daar tijdens de grote volksverhuizing van Angelen en Saksen naar Brittannië terecht gekomen.

1300 jaar geleden vond weer een mutatie plaats bij een van de mannelijke nakomelingen van onze Germaan. Zij leven dan in het jaar 700 na Chr. en de nakomelingen met deze mutatie leven in Noorwegen en Italië. Het is de tijd van grote Viking activiteiten, die zich vanuit Scandinavië tot in Arabië, Zuid-Italië en de Zwarte Zee uitstrekten. Ik denk dus dat we hier met nakomelingen te maken hebben die van Vikingen, krijgers of handelaren afstammen. De betreffende Italiaan is volgens FT DNA rond het jaar 1100 met een zekerheid van 91% aan mij gerelateerd, hoewel hij dus een mutatie kent die bij mij niet af te lezen is.

De mutaties die ik in deze conclusie met naam heb genoemd gelden niet voor mij. De laatste bij mij gemeten mutatie vond plaats in die man die 2400 jaar geleden leefde. Mijn voorvader was een broer of neef of oom van de nakomelingen met genoemde mutaties. De mutaties die daarna in mijn tak hebben plaatsgevonden zijn nog niet in kaart gebracht, omdat ik op de "downstream" snp's onder mijn laatst bekende mutatie negatief heb getest.

Mijn verre voorvader in de bronstijd staat dus aan het begin van een nieuwe tak. Men heeft mij al gevraagd of ik zo genereus wil zijn vele honderden dollars te spenderen aan wetenschappelijk onderzoek, dat nieuwe, nog onbekende snp's op zal leveren. Ik geef er de voorkeur aan nog even af te wachten.

Wat ik heb geleerd van de mutaties en de vestigingsgebieden van mijn genetische "neven" is dat ik genetische relaties heb in alle gebieden waar Deense, Zweedse en Noorse Vikingen en handelaren zijn geweest. Het zwaartepunt van mijn genetische relaties ligt in Noorwegen, Zweden en Engeland, met interessante afzwaaiers naar Zuid-Europa,  Schotland en de westelijke Alpen.

Over één mogelijke nakomeling van de onbekende Scandinaviër zal ik hierna, in deel II,  veel meer vertellen. Die nakomeling is vermoedelijk mijn voorvader. Op grond van de database van FT DNA mogen we aannemen dat deze nakomeling genetisch dicht bij mijn genetische relaties in Noorwegen, Zweden, Spanje, Kent, Dorset en Somerset stond. En dat hij in genetische termen niet zo heel lang geleden leefde, ik denk ruim achthonderd jaar geleden. Gezien de geografische verspreiding van zijn dna moet hij een reiziger zijn geweest: een zeeman, een Viking of een handelaar. Aangezien mensen met mijn achternaam in de Middeleeuwen en daarna in meerdere Hanzesteden leefden (Doesburg, Zutphen, Zwolle, Deventer) is een relatie met de Hanze plausibel. De genetische relaties kwamen uit Hanzesteden als Bergen, Oslo en van de Botnische Golf of hebben de achternaam Hull, eveneens een Hanzestad. Een zeeman en een handelaar liggen meer voor de hand dan een Viking, omdat de Vikingen iets langer geleden actief waren dan de handelslieden van de Hanze. Aan de andere kant: wat maken in de de genografie enkele honderden jaren uit?

Voetnoten bij de Inleiding en deel  I

[1] Zeven letters, zeven eeuwen, De zwerftocht van een naam. ISBN 978-90-813445-2-4.

[2] John Morris bericht hierover uitvoerig in "The Age Of Arthur - A History of the British Isles from 350 to 650", London 1973, vooral in de             hoofdstukken 4, 5 en 15.

[3] www.familiemous.nl/dna.html        Met dank aan de familie Mous

[4] Project “Genetische Genealogie”, Universiteit Leiden (2007)

[5] DYS = DNA Y-chromosome Segments

[6] Geen van bovengenoemde “matches” wordt gerekend tot mijn subgroep. Dat komt waarschijnlijk doordat deze mannen geen verfijnd onderzoek hebben laten uitvoeren. Een andere verklaring kan ik niet vinden.

[7] Onderzoek naar de verspreiding van dna onder de Britse bevolking heeft uitgewezen dat de Vikingen slechts weinig dna hebben achtergelaten. Ze namen hun vrouwen aan boord van hun schepen mee en mengden zich verder weinig met de autochtone bevolking.

[8] Bron: FT DNA, SNP-maps

[9] In: “Opgegraven Verleden van Gelderland” , pag. 148 e.v. Utrecht 2007, ISBN 978 90 5345 292 9

[10] https://nl.wikipedia.org/wiki/Belegering_van_Asselt

[11] Sven F.B. Janson, Swedish Vikings in England, University Press London, 1966


Deel II Pielegrim of Lerinck?

Mijn achternaam

Pelgrim, Noordse koopman of Viking. Ze vormen genoeg stof voor verdere speculatie. Ik wil hierna proberen mijn genetische "fingerprint" te koppelen aan mijn bevindingen uit archieven en ander onderzoek. Laten we beginnen met mijn achternaam. Heeft deze een Scandinavische oorsprong? Op het eerste gezicht niet. De uitgang –ink duidt eerder op een Saksische oorsprong. Ik weet door eigen onderzoek dat de naam Leerink in diverse Middeleeuwse varianten (o.a. Lerinck, L(e)erinc, Ler(r)ijnck) vanaf 1300 voorkomt in Doesburg en omgeving en ruim zestig jaar later ook in Zutphen.

Van sporen van de Lerincks in Doesburg is voor 1300 niets terug te vinden. Er is een vage aanwijzing over een “erve Lederkinch” bij Baak, gekoppeld aan een uitleg van de geslachtsnaam die discutabel is: de naam Leerink zou terug gaan op het Oud-Germaanse “letherik”, hetgeen “machtig in het kwaad” zou betekenen en daarmee wordt verwezen naar het vermogen om als krijgsman kwaad te doen [1]. Het klinkt wel Noords en zou een verwijzing kunnen zijn naar Viking-activiteiten. Maar….. Doesburg bestond helemaal niet in de tijd van de Viking aanvallen. Het wordt pas tussen 1053 en 1071 genoemd als een moerassig gebied met zandruggen. In 1237 verkreeg het stadsrechten.

Met de Zutphense “Leerinks” ligt het anders. Die zijn veel verder terug te traceren. Zij hebben een mannelijke voorouder met een andere achternaam: hij werd Pielegrim de Hurste, resp. peregrinus genoemd genoemd, in diverse varianten. Is daar een Scandinavische oorsprong in te ontdekken? Ik wil het spoor naar beide achternamen zover mogelijk terug volgen. Het is bekend dat de Vikingen overvallen hebben gedaan langs de kust en dieper landinwaarts in de rivierengebieden en dat hun y-dna juist in die gebieden is verspreid. Mogelijk zijn daar aanknopingspunten te vinden.

Het geslacht Pielegrim de Hurste wordt al in 1100 tussen Deventer en Zutphen genoemd. De familie Lerinck die in Zutphen leefde (van ca. 1360 tot ca. 1525) stamt daar in  de mannelijke lijn van af: zij werd tussen 1100 en 1360 Pielegrim genoemd, ook wel Peregrinus, Pelegrim, Pelgrum en Pelgrim. Wie waren die Pielegrims? Wat heeft deze naam te betekenen? En wat kunnen we uit hun dubbele naam Pelgrim geheten Lerinck afleiden?

Alles wat ik vòòr mijn dna-onderzoek over de Pielegrims wist was, dat zij tot de lagere adel werden gerekend (ministerialen of dienstmannen) en dat zij een familiewapen hadden dat later door de Lerincks van Zutphen is overgenomen. Verder was uit allerlei archiefstukken duidelijk geworden dat zij in de stad Zutphen en daarbuiten veel invloed hadden en landgoederen en horigen hadden in het hele Graafschap Zutphen. Zij waren schout binnen en buiten Zutphen, schepenen, leenmannen en grootgrondbezitters. Zou er een link zijn van de Noordelijke indringers naar deze familie met zijn ongebruikelijke naam?

Om te beginnen ben ik de etymologische woordenboeken nagegaan en de woordenboeken waarin Middelnederlandse namen worden uitgelegd. De verklaring die hierna volgt, is de meest algemene, die je in meerdere boeken aantreft. Met name Debrabandere is een autoriteit op dit gebied. Pelgrim zou volgens deze verklaring een naam zijn die aan mensen werd gegeven die naar het Heilige Land waren gereisd (dat waren er heel wat in de Middeleeuwen!). Ook kan het een dissimilatie (klinkerverschuiving) zijn van het Latijnse woord “peregrinus”, hetgeen vreemdeling betekent:

I     M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands

pelgrim zn. ‘bedevaartganger’
Onl. in de persoonsnaam Pelegrimus de Suthfania ‘Pelgrim van Zutphen’ [1134; Debrabandere 2003]; mnl. pelegrin ‘pelgrim’ [1240; Bern.], en diverse nevenvormen, zoals in twerande pelegherime dien ... wi metten cruce ... ten heleghen lande wart sien varen ‘twee soorten pelgrims die wij met het kruis naar het Heilige Land zien trekken’ [1287; VMNW], du best allene en pelegrim ‘jij bent de enige vreemdeling (in Jeruzalem)’ [1291-1300; VMNW], pelegrijm, wendler ‘reiziger, pelgrim’ [1477; Teuth.]; vnnl. pelgrim ‘bedevaartganger’ [1599; Kil.].
Ontleend, al dan niet via Frans peligrin, pelerin (Nieuwfrans pèlerin) [1050; TLF], aan Laatlatijn pelegrinus, door dissimilatie ontwikkeld uit klassiek Latijn peregrīnus (zn.) ‘vreemdeling’, (bn.) ‘uit vreemde oorden’; dit woord is een afleiding van peregrē ‘uit het buitenland’, gevormd uit per- in de betekenis ‘over ... heen, voorbij’, zie → per, en een verbogen vorm van ager ‘veld, land’, zie → akker. De uitgang -im in veel Germaanse talen (o.a. Engels pilgrim, Zweeds pilgrim) is ontstaan onder invloed van Germaanse mannennamen op -grim.

De "peregrinus" verklaring is voor mij de meer aannemelijke, omdat Scandinaviërs, die zich hier te lande vestigden lange tijd als een vreemdeling zullen zijn beschouwd. Bovendien werd de familie Pielegrim daadwerkelijk Peregrinus genoemd in enkele gevallen. Maar ook de verklaring uit het woordenboek van J. de Vries, die hierna volgt, is intrigerend, omdat het mij is opgevallen dat de vroegst bekende voorvaders van de Zutphense tak Pilegrim werden genoemd, dus met de nadruk op de eerste “i”:

II    J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek

pelgrim znw. m., mnl. pelegrijm, pelgrijm, pelgrim naast pelegrijn, mnd. pelegrīme, pelegrim, pelegrīn(e), ohd. piligrīm (nhd. pilger), ofri. pilugrĭm, pilegrĭm, me. pilgrīm (on. pilagrīmr, pelagrīmr < mnd.) < laat-lat. pelegrīnus < lat. peregrīnus ‘buitenlands’ (met dissimilatie r-r > l-r), in de kerktaal ‘de naar Rome trekkende pelgrim’. De overal optredende uitgang m voor n wil Schatz PBB 49, 1925, 126 vlgg. verklaren door de invloed van de PN Piligrim, die samengesteld is uit *bili- ‘zwaard’ en grīm ‘helm’.

Een man met een helm en een zwaard. Dat kan best op een Viking slaan, zij het dat de meeste Vikingen volgens de geleerden geen helm droegen, maar een leren beschermkap. Alleen degenen die geld hadden konden zich een helm veroorloven, waar overigens, ook al weer volgens archeologen, geen horens aan waren bevestigd [2].

Interessant is ook de achternaam die wordt gebruikt: de Hurste. De naam Hurste of Horst heeft betrekking op Horst (ook genoemd Hanhorst) onder Deventer, waar in 1225 een Cisterciënzerklooster werd gesticht. Deze plek bevindt zich in wat nu Epse heet. Dit ligt bij Gorssel, tussen Deventer en Zutphen in. “Hurste” is Oud-Germaans voor een verhoogde bosachtige plaats. Het is een naam die we in het Engels terugvinden in de varianten “Hurst”, “Hirst” en “Hearst”. Opvallend is dat deze naam veel in Engeland wordt gevonden in de gebieden waar Deense invallers zich vestigden, namelijk in Yorkshire, Northumberland en Kent. Nu zouden we kunnen denken dat de Hurste verwijst naar een bosachtige heuvel bij Gorssel. Alleen waren er bij het negende-eeuwse Gorssel / Epse weliswaar bossen, maar geen heuvels. De hoogste dekzandlagen langs de IJssel bij Epse lagen tussen 5 en 7 meter boven N.A.P. De naam kan dus nauwelijks een verwijzing zijn naar de plaatselijke geologische situatie. Zou het dan kunnen zijn dat we hier te maken hebben met een Engels-Deense Viking of koopman die Hirst of Hurst heette? [3] In dit verband denk ik ook aan de genetisch gerelateerde heer Hull uit de USA. Deze man deelt met een waarschijnlijkheidspercentage van 97,45% met mij een voorvader die rond 1100 geleefd moet hebben. De familie Hull komt oorspronkelijk uit Somerset, Engeland. De naam Hull betekent in het Oud Engels “heuvel”, hetgeen weer direct aan “horst” of “hurst” herinnert. 

Kolonisatie

In zijn boek “Noormannen in de Lage Landen” beschrijft Luit van der Tuuk uitvoerig de eeuwen (ca. 700 tot 1000) waarin Noormannen, resp. Vikingen in Nederland actief waren. Hij onderscheidt de Scandinavische handelaars duidelijk van de op roof beluste Vikingen. Beide groepen waren in de Lage Landen, maar zeker niet congruent. De eerste groep was vredelievend en wilde uitsluitend handel drijven. De tweede groep was een pion in een politiek krachtenspel tussen Deense en Frankische koningen. Aanvoerders van meerdere Viking groepen werden afgekocht voor bewezen diensten dan wel voor de belofte om zich terug te trekken. Zo’n beloning kon een heel gebied zijn. Zo werden het Kennemerland en Frisia afgestaan aan Vikinghoofdmannen die daar als graven of zelfs hertogen mochten regeren. Volgens van der Tuuk is Nederland, in tegenstelling tot andere gebieden zoals Normandië of Noord-Engeland, niet door Vikingen gekoloniseerd. Er zijn daarvoor geen bewijzen gevonden:

“Het aantal Scandinavische immigranten in de Lage Landen moet veel kleiner geweest zijn dan in Engeland en Normandië. Geen wonder dat we ze bij ons vrijwel niet meer kunnen traceren, blijkbaar zijn ze volledig in de samenleving opgegaan. Hoewel de Deense prinsen tientallen jaren over onze kustlanden hebben geheerst, is kolonisatie in onze streken geheel niet op gang gekomen. Zelfs zo’n Deense bovenlaag als in Engeland is bij ons niet aangetoond. Slechts het voorkomen van een stand van de zogenoemde welgeborenen kunnen we met het nodige voorbehoud misschien met de Deense heersers in verband brengen. Welgeborenen vormden in de late Middeleeuwen een speciale stand van – meestal – welgestelde boeren, maar in de Frankische periode behoorden zij tot een bovenlaag met een militaire functie. Zij vervulden toen een persoonlijke heervaartplicht en waren vrijgesteld van het betalen van schot (belasting)”. [4]

Met dit in het achterhoofd gaan we kijken wat we in de archieven over de vroegste Lerincks in Zutphen verder kunnen ontdekken.

Sporen op papier en perkament

We hebben dus een rijke vreemdeling, een buitenlander met een Deens-Engelse naam, die een helm en een zwaard heeft. Of een man die naar een pelgrimsoord is gereisd. Laten we eens kijken wat we over de vroegst bekende mannen met de naam Pielegrim in Zutphen te weten kunnen komen. We komen dan terecht bij de Duitse mediaevist Prof. Dr. O.A. Oppermann (1873 – 1946), die Middeleeuwse Geschiedenis doceerde aan de Universiteit van Utrecht. Oppermann’s specialisme waren Nederland in de Middeleeuwen en de “falsa” of oorkonde(vervalsingen). In zijn „ergänzende Untersuchungen“ (blz. 122, 123) schrijft hij:

"In der Urkunde von 1133 Sloet 264 berichtet Bischof Andreas, er habe mit Zustimmung des Propstes Philipp von Deventer dem Pelegrimus gestattet, alleToten seines Hauses Hanhorst in Zutphen zu begraben. Unter Hanhorst ist Horst bei Deventer zu verstehen, wo von Roermond aus 1225 ein Zisterzienser-Nonnen-Kloster gestiftet wurde (oben S.114). Über die Herren von Horst geben die Urkunden folgende Auskunft. Zwischen 1129 und 1138 werden unter den ministri des Grafen von Geldern, die von den ingenui ausdrücklich geschieden werden, Pilegrim und Drohtward ohne Geschlechtsnamen genannt (Sloet 246). 1134 erscheinen Pelgrinus de Suthfania und Drothwardus de Horst unter den Zeugen der unechten Urkunde (Sloet 268), die auch an dieser Stelle für die Zustände von 1134 keinerlei Beweiswert hat.

Rotherus de Hurst, Zeuge in einer Urkunde des Erzbischofs Arnold von Köln, Kn.405, gehört offenbar ebenso zu den erzbischöflichen Ministerialien wie Rutgerus de Horst, der zwischen 1168 und 1173 unter ihnen genannt wird (Kn.998.999). Zwelfelhaft bleibt der Stand von Otto de Horst, Zeuge in einer Urkunde des Erzbischofs Philipp von 1170,Kn.952.

Dagegen wird Pelegrimus de Hurste in der Zutphener Stadtrechtsurkunde von 1190 Sloet 376 unter den geldrischen Dienstmannen angeführt. Dieser Peregrinus ist vielleicht derselbe, der in der Urkunde von 1212 als canonicus de Sutphania erscheint; mit seines Bruders Hugo de Horst. Sohn Alexander de Horst hat er einen Rechtsstreit über Besitz zu Eschede. Aber außerdem im Jahre1236 gab es im Zutphener Walburgis-Stift einen Kanonikus Peregrinus . (Sloet588) 1242 urkundet er als Pelegrimus canonicus sancte Marie in Traiecto et sancte Walburgis. In Sutphania et procurator ac scultetus prepositi Sutphaniensis. (Sloet 628.) In demselben Jahre 1242 erscheint unter den Schiedsrichtern, welche den Streit zwischen Cleve und GeIdern über den Zoll zu Orsoy entschelden dominus Rutger de Horst.

Das Geschlecht ist demnach aus dem Stand der Dienstmannen in der ersten Hälfte des 13. Jahrhunderts zum Herrenstand aufgestiegen.

Daß die Vergünstigung, die nach SIoet 264 Bischof Andreas dem Peregrinus gewährt haben soll, nicht einem unfreien Dienstmann zuteil geworden sein kann, ist ohne weiteres deutlich. Der Inhalt der Urkunde ist also unecht; sie ist den Zutphener Fälschungen zuzuzählen, mit denen sie im Rotulus überliefert ist. Für die Zeit ihrer Entstehung trifft auch die Voraussetzung zu, unter der die Verleihung des Begräbnisrechtes in Zutphen an die Bewohner von Horst erst verständlich wird: daß nämIich ein Mitglied des Geschlechts Kanonikus in Zutphen war und dort maßgebenden Einfluß hatte".

"1212 Gerardus, graaf van Gelria, oorkondt dat Peregrinus, kanunnik van Sutphania, en Alexander de Horst een overeenkomst geheten "mutsone" hebben gesloten inzake het geschil tussen beiden over twee hoeven in Eschete met eigenlieden, die Hugo de Horst en zijn vrouw Aleidis aan de kanunniken in Sutphania hebben opgedragen; Alexander wilde zich hieraan niet houden, zodat Peregrinus door een eed met twee van zijn medekanunniken, als eedhelpers, Alexanders opzet teniet heeft gedaan". 

a) Oorspronkelijk (Inv.nr.133). Het zegel van de graaf is verloren gegaan. b) Afschrift in Liber Camerae (Inv.nr.3), f. 75 r-v.c) Gedrukt: Sloet, Oorkondenboek Io17 p. 5.

Hoewel het gaat om oorkonden waarin kennelijk bepaalde historische feiten niet kloppen [5], zijn de genoemde personen echt. Wat voor mijn onderzoek interessant is zijn de namen. In 1133 wordt Pelegrimus uit Zutphen genoemd. Tussen 1129 en 1138 wordt Pilegrim (ook Pelgrinus de Sutphania) als ministeriaal (dienstman) van de Graaf van Gelderland genoemd, samen met Drohtward de Horst. Later, in 1190, wordt zijn zoon Pelegrimus de Hurste genoemd, ook weer als ministeriaal van Gelderland. Zij behoren kennelijk tot de zelfde familie als Rotherus de Hurst en Rutgerus de Horst; Rotherus doet vaag aan een Vikingoorsprong denken: Roterik of Roderik. In de Roomse kerk werd alles “verlatijnst” door de uitgang “-us”. Pelegrimus de Hurste is dezelfde persoon als de kanunnik Pelgrim in Zutphen, want deze blijkt een broer te hebben die Hugo de Horst [6] heet. Hij heeft met zijn neef Alexander de Horst een juridisch geschil over een goed in Eschede.

Wat van belang is, is het ogenschijnlijk nonchalante gebruik van de naam: soms Pelgrinus - waarbij de uitgang vooral aan "peregrinus" (vreemdeling) doet denken - , dan weer Peregrinus, Pelegrimus of Pilegrim. De schrijvers schijnen eerder een vreemdeling voor ogen te hebben dan een bedevaartganger. Ook wordt de benaming op meerdere personen toegepast. Het woord Pilegrim doet bovendien aan de ethymologische verklaring van Schatz denken.

Peregrinus’ broer Hugo van Horst was een schoonzoon van Bryne (Bruno) van Knyppenburgh en zwager van Wenemar van Knyppenburgh. We kennen daardoor de naam ook uit andere bronnen dan de falsa die Oppermann noemt.

De kanunnik over wie Oppermann schrijft, was niet alleen een geestelijke, maar ook “procurator ac scultetus // prepositi Sutphaniensis, universis”, ofwel “gemachtigde van de schout binnen en buiten Zutphen”.

De naam Pilegrim of variant (Peregrinus, Pelegrimus) beperkt zich niet tot de kanunnik; hij wordt afwisselend voor meerdere leden van de familie de Hurste/Horst gebruikt, tot in de vijftiende eeuw in Zutphen. Bovendien valt op, dat soms ook de benaming “peregrinus” (vreemdeling) wordt gebruikt. Dit alles maakt het erg onwaarschijnlijk dat we met één pelgrim in de geestelijke betekenis te maken hebben. Meerdere personen worden Pielegrim of peregrinus genoemd en dit beperkt zich niet tot de kanunnik. Het lijkt dus veel meer om een verwijzing naar een vreemdeling of een krijger te gaan.

Vreemde streken

Pielegrim de Hurste had aanzienlijke invloed in Zutphen. Wij spreken dan over de dertiende eeuw. Dienstmannen werden tot de lagere adel gerekend. Het geslacht de Hurste / de Horst, waar Pielegrim deel van uitmaakte, is in de twaalfde/dertiende eeuw opgestegen tot de herenstand.

Van het geslacht de Hurste / de Horst worden de mannelijke nakomelingen in Zutphen Pelgrim genoemd. Pelgrim wordt een familienaam, die overigens in de vijftiende eeuw weer plaats zal maken voor de familienaam Lerinck. Indien het naamsdeel Pilegrim slechts een verwijzing naar een pelgrimsvaart zou zijn geweest, zouden latere generaties in Zutphen zich niet Pelgrim hebben genoemd, maar de Hurste. Hieruit blijkt ook weer dat Pilegrim, resp. Pelegrim en peregrinus wel degelijk een echte naamsaanduiding zijn geweest: de Hurste met de helm en het zwaard of de Hurste, die uit vreemde streken komt.

Het lijkt er op dat het hier om “welgeborenen” met heervaartplicht gaat, precies zoals in “Noormannen in de Lage Landen” beschreven (zie voetnoot 4).

In feite zijn alle Lerincks / Le(e)rinks / Leerings die van de Zutphense familie afstammen, in de mannelijke lijn afstammelingen van een stamvader de Hurste / de Horst, een dienstman van Gelderland [7], die tussen Deventer en Zutphen op een rivierduintje leefde.

Scheepvaart

Tussen 1380 en 1383 komen we de naam Pelgrim in een heel ander verband tegen: uit de tolinkomsten bij Dordrecht (een belangrijk knooppunt van handelswegen) blijkt dat daar een schip van Pelgrim uit Zutphen is gepasseerd. De lading bestond uit haring en wagenschot (planken) ( Leo Lensen en Willy H.Heitling: Stad in de Middeleeuwen, pag. 118). Hier hebben we een interessante aanwijzing hoe de Zutphense tak in de veertiende eeuw zijn geld verdiende, maar nog interessanter is dat zij dit per schip deden. Handel drijven per schip was vanouds een specialiteit van de Noormannen. Zette Pilegrim deze traditie voort?

Familiewapen afgeleid van Vikingschild?

Aan de adelstand is een familiewapen gekoppeld. Het familiewapen dat we van Pielegrim kennen en dat later door Lerinck/Lerink/Leerink werd overgenomen duidt op een oude oorsprong. Dit blijkt uit de eenvoud er van. De oudste familiewapens zijn afgeleid van de wapenschilden die legeraanvoerders gebruikten. De vroegste adel had een leidende functie op militair gebied. Oorlogsvoering vereiste een helder, gemakkelijk symbool, dat op grotere afstand nog herkenbaar zou zijn.

Ook de Vikingen gebruikten symbolen om aan te geven tot welke partij zij behoorden. Hierna volgen twee voorbeelden van Vikingschilden. Op de linker afbeelding is te zien hoe het schild gedragen werd. Op de middelste afbeelding een exemplaar met de kleuren die ook door Pielegrim de Hurste werden gebruikt. Rechts ter vergelijking het familiewapen van Pielegrim, zoals het in de Burgerzaal in Zutphen nog is te zien.

                                                                          


Volgens de historici moesten ministerialen of dienstmannen leger(tje)s leveren aan de Hertog of Graaf als die daar om vroeg. Zo is het niet moeilijk om de link naar een Pielegrim als krijgsman of zelfs legeraanvoerder te leggen. Het wapen van Pielegrim is kruislings gevierendeeld, met links en rechts rode velden en boven en onder witte velden. Het is later versierd met een ridderhelm, vleugels en krullende bladeren, maar de oorsprong is dus eenvoudig.

De wapenschilden die in Zutphen bewaard zijn gebleven in de Burgerzaal en de Broederenkerk (zie foto's in inleiding op eerste pagina) zijn in rood en wit uitgevoerd. In een latere beschrijving in Rietstap’s “Armorial Général” [8] is het wit door zilver vervangen. Maar de oorspronkelijke kleuren zijn dus zoals die in de genoemde gebouwen. En juist die kleuren en ook de uitvoering ervan doen mij aan een oorspronkelijk Vikingschild denken, zoals dat hierboven is afgebeeld. Het enige verschil is de vorm: van rond bij de Vikingen naar rechte zijden, zoals dat in onze streken gebruikelijk was.

Tot zover de feiten die ik over de Pielegrims uit de twaalfde en dertiende eeuw ben te weten gekomen, mede dank zij de digitalisering van regesten, oorkonden en publicaties. Nergens ben ik een verwijzing naar een pelgrimstocht naar het oude land tegen gekomen. De oudste vermelding van de naam is die met een “i”: Pilegrim (1129), de Oud-Germaanse vorm. Later wordt de naam omgevormd naar Pelegrim, Pelgrum of Pelegrinus. Ik ben dus geneigd te denken dat de naam terug gaat op de door De Vries in het Nederlands Etymologisch Woordenboek genoemde naam Piligrim (hij die een zwaard en een helm draagt) of dat het eenvoudig om de aanduiding van een vreemdeling in dit land gaat.

Pilegrim in de veertiende eeuw

Rond 1300 treffen wij in Zutphen Pelegrinus Johannis aan. Hij moet ca. 1260 zijn geboren en wordt in meerdere oorkonden genoemd (1302, 1305, 1319, 1320). Hij was schepen van Zutphen en waarschijnlijk een koopman. Hij stierf in 1324 en was getrouwd met Ghesa, geslachtsnaam onbekend. In 1320 wordt hij Pelegrimi Johannis genoemd. In andere regesten is hij Heer Pelegrim. Hij had drie zonen: Wilhelmus, die in de periode erna vaak wordt genoemd in regesten en leenakten. De andere zonen waren Arnoldus, een kanunnik en Johannis. Over de laatste is niets bekend.

"Wilhelmus Pelegrini (genitivus: zoon van Pelegrinus), de bekendste zoon, was schepen van Zutphen, rentmeester van Salland en rentmeester van de bisschop van Utrecht. Hij is voor 1324 geboren, ik vermoed rond 1300. Gezien zijn functies moet hij een machtig man zijn geweest. Ook in het archief van het “Groote (vroeger Heilige Geesten-) en Voorster gasthuis te Deventer” (datering:1267-1920) wordt hij in 1335 genoemd:

Willaem, zoon van Heer Pelegrim van Sutphen, Rentmeester van Zalland (Met zegel van W. v. S. Oudste stuk in het Hollandsch., 1335. Des dinsedaghes na sente Jacobs dachs des apostels ". (1 Aug.)

Deze Willem is vier keer getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw heette Ella. Over haar is niet veel bekend. De tweede vrouw, Oda, wordt een enkele keer genoemd, in een regest uit 1352:

"15 juni 1352 Johannes ten Mersche en Johannes Spaen, schepenen van Zutphania, oorkonden, dat heer Arnoldus Pelegrimi, kanunnik van de kerk in Zutphania, zijn broeder Wilhelmus Pelegrimi en diens vrouw Oda aan de huisarmen een jaarrente van 9 pond, 10 schellingen kleine penningen hebben verkocht uit twee erven bij de Zoutmarkt, waarop het gebouw van de nieuwe kapel der armen verbrand is, en 20 schellingen kleine penningen uit het erf van wijlen heer Borro, kanunnik van de kerk van Zutphania, ook bij de Zoutmarkt gelegen. Datum anno domini MmoCCCmo quinquagesimo secundo feria sexta post Odulfi "

Het is niet moeilijk vast te stellen welke zonen Wilhelmus Pelegrini uit deze eerste twee huwelijken had. Het waren er drie: Johannes Puls, Pelegrimus en Wilhelmus. In alle drie is een familienaam vernoemd. Ze worden in regesten van 1356 genoemd. Het is niet duidelijk of zij zonen waren van Ella of Oda. Dit moet uit reconstructie blijken:

"14 februari 1356    Richter en schepenen van Zutphania oorkonden, dat Wilhelmus Pelegrimi en zijn zoon Johannes Puls met diens broeders Pelegrimus en Wilhelmus en hun verwanten Wilhelmus en Gerardus Crauwel aan heer Ludolfus, pastoor van de kerk in Wijchmunden, als provisor der huisarmen de helft van het goed Colkinch op de Velua te Voerstoenden in het kerspel Voerst verkocht hebben. Datum anno domini MmoCCCmo quinquagesimo sexto ipso die beati Valentini".   Oorspronkelijk (inventarisnummer 609). Met het fragment van het zegel en contrazegel der stad in groene was.

"14 februari 1356       Andreas Creyinch en Henricus Louwer, schepenen van Zutphania, oorkonden, dat Wilhelmus Pelegrimi en zijn zoons Pelegrimus en Wilhelmus en Wilhelmus Sculteti aan de huisarmen de verkoop van de helft van het goed Colkinch op de Velua in Voerstoenden in het kerspel Voerst, gedaan door Wilhelmus Pelegrimi en zijn zoon Johannes Puls, volledig garanderen.   Datum anno domini MmoCCCmoquinquagesimo sexto ipso die beati Valentini martiris".        Oorspronkelijk (inventarisnummer 609). De zegels der oorkonders zijn verloren gegaan.

"14 maart 1356             Dyric van Arnhem, ridder, richter te Arnhem en Brummen, oorkondt dat Willem heer Pielegrimszoon en zijn zoons Pelegrim en Willem en Johan Puls, zoon van voornoemde Willem aan heer Ludolf, pastoor te Wychmunt, “verware” van huis en goed der huisarmen te Zutphen, de helft van het goed Colkinch op de Velue in Voerstonden heeft opgedragen. Gegieven int jaer ons heren dusent driehondert zes ende vijftich des Manendaghes na sunte Gregoriusdaghe".     Oorspronkelijk (inventarisnummer 609). Het zegel van de oorkonder is verloren gegaan. N.B. Door deze brief is gestoken de brief d.d. 8 november 1363 (reg.nr. 43a).

De zoon Johannes Puls leefde in 1363 nog, gezien een oorkonde uit dat jaar:

"8 november 1363        Herman van Weylhusen, richter in Aernem en Brummen, oorkondt dat Johan Puls, zoon van Willem heer Pelegrims, aan heer Ludolph als “verware” van huis en goed der huisarmen afstand heeft gedaan van de helft van het goed Kolking op Velue in Voerstunden, door zijn vader aan de huisarmen verkocht. Ghegheven int jaer ons heren dusent drehondert dre ende sestich des Wondesdaghes vor sunte Mertijnsdaghe in de winter".       Oorspronkelijk (inventarisnummer 609). Met het zegel van Herman van Weylhusen in groene was.

Daarna vernemen wij niets meer over hem. Geen indicatie of hij vrouw en kinderen had. Van de andere twee weten wij dat wel. 

De zoon Pielegrim was getrouwd en had in 1351 meerdere kinderen. Hij moet toen dus minstens 30 jaar zijn geweest. Dit kunnen we opmaken uit een regest van 1351:

"1351.    Geghieven int jaer ons heren dusent driehundert een ende vijftich op sunte Lambertsdach. Richter en schepenen van Sutphen oorkonden, dat zij gezien hebben de brief, bezegeld met het stadszegel en die de voorafgaanden Petrus en Paulusavond 14 jaar oud was, waarin stond, dat de kinderen van Pielegrim Willemszoon en zijn vrouw Fije een jaarlijkse rente hebben uit een huis, gelegen op de hoek van de Kupekenstraat dat geweest is van Geerd Assenneve, gelegen tegenover het huis, dat van Lambert Berwoldszoon, afkomstig van Nyese, vrouw van Coenraed Yseren".

De zoon Wilhelmus moet aanzienlijk jonger zijn geweest, want hij leefde nog in 1404. Hij kan niet na 1350 zijn geboren (dit wordt verderop uitgelegd). Hij had een vrouw Geertruyt van der Moilen en een zuster Hille. Zij worden allemaal genoemd in een leenakte [9] betreffende het dienstmansgoed klein en groot Hadekinck, gelegen in Ansem in het Kerspel Lochem. De tienden uit dit goed gingen na Willem’s dood over op zijn vrouw Geertruyt en nog weer later op zijn zuster Hille.

"Dat cleyne goet tot Hadinck met allen sijnen tobehoren, gelegen in den kerspel van Lochem, tot eenen dienstmansgoede bij Gerrit Hadinck ontfangen, anno 1379. Albert Amekinck ontfinck 1/3 van den goede tot Hadekinck in den kerspel van Lochem tot eenen Zutphenschen rechte, anno 1405. Dat alinge goet, geheiten Hayekinck, met allen sijnen tobehoren, gelegen in den kerspel van Lochem, ten Zutphenschen leen ontfangen bij Willem Pelegrim, anno 1378. Die thiende tot Hadekinck, in den kerspel van Lochem gelegen, met allen sijnen tobehoor tot eenen Zutphenschen leen ontfinck Willem Pelgrimssoon, burger tot Zutphen, anno 1402. Idem tuchtigt sijn wijff [10] an d' alinge thiende tot Hadekinck met allen heuren tobehoren, in den kerspel van Lochem gelegen, anno 1404. Idem ontfinck den thiende over die goede tot Hadekinck, gelegen in den kerspel van Lochem, groff ende smal, woe die met sijnen tobehoor gelegen is, tot Zutphenschen rechte, met eenen ponde goets gelts etc., a°. 1424.
Hille, huysfrou Godert Berners, erve hares broders Willems voorn., ontfengt die thienden over grote Hadekinck ende over luttel Hadekinck, groff ende smal, nyet uutgescheyden, gelegen in den kerspel van Lochem, in der buyrschap van Ansem, tot Zutphenschen rechten, a°. 1425.
Eadem tuchtigt haren man Herman te Berner bij transport sijner moder Hille, a°. 1428". 

Over Willem Pelegrim weten we ook dat hij schepen was en dus de familietraditie voortzette:

29 juli 1382       Andries Yseren en Willem Pelegrims, schepenen van Zutphen, oorkonden, dat Herman Lederingh en Heijne Lederingh Heine Vriesen, als “verwarre” der huisarmen in Borrenhof, alle goed kwijtschelden, dat hun aanbestorven was van Gese Lederinghs. Gegeven in den jare ons heren MoCCCotwe ende tachtentijch de Dinxtaghs nae Marie Magdalene.      Oorspronkelijk (inventarisnummer 851). Met fragment van het zegel van de 1e oorkonder en het zegel van Willem Pelegrims in groene was.

Dit is wat wij uit regesten en oorkonden kunnen opmaken over de kinderen van Wilhelmus Pelegrini uit de eerste twee huwelijken. We kunnen concluderen dat hij goed voor deze kinderen heeft gezorgd. Zij ontvingen allen geld uit diverse bezittingen. Willem moet een bemiddeld man zijn geweest. Hij was dan ook rentmeester van zowel Salland als het bisdom Utrecht.

Willem "heren Pelgrims soene" bezat niet alleen veel onroerend goed in Zutphen, Lochem, Eefde, Harfsen, Warnsveld en Wezep, hij bezat ook horigen. Al zijn kinderen erfden renten of (delen van) de tiende penning uit deze goederen. Zolang hij niet dood was, had hij zelf het vruchtgebruik van al die goederen. Zijn kinderen uit het derde huwelijk, Jacob en (Mar)griete, erfden een goed met mensen en al.

Pelgrim wordt Lerinck genoemd

Wat hierna volgt is van belang voor iedereen die Leerink, Lerink of Leering heet en die denkt in de mannelijke lijn van de Zutphense Lerincks af te stammen. Zij stammen namelijk eveneens af van het geslacht dat ik hiervoor heb beschreven, zij het met een andere achternaam dan de Pelgrims.

In 1350 trouwde Wilhelmus Pelegrini voor de derde keer. Dit huwelijk is voor de mannelijke lijn van alle Lerincks die van hem afstammen belangrijk, want hij trouwde nu met Aleyt Lerinck , een dochter van Jacob Lerinck uit Doesburg. (Overigens is Wilhelmus Pelegrini nadat Aleyt was gestorven, nog een vierde keer getrouwd, met Chrystynne. Over haar en haar eventuele kinderen weten wij niets).

Het merkwaardige verschijnsel doet zich nu voor dat de kinderen uit het derde huwelijk, in tegenstelling tot de kinderen uit de andere huwelijken, een tweede naam meekregen en wel die van de moeder. Zij en hun nazaten werden Pelgrim, geheten Lerinck genoemd. Het is niet duidelijk waarom dit werd gedaan. Misschien was het een kwestie van erfrecht. De Lerincks in Doesburg waren vermogende lieden die land en hofsteden bezaten. Mogelijk was dit in de Middeleeuwen reden genoeg om door middel van een toevoeging bij de naam aan te geven wie iemands erfgenaam was. In de vijftiende eeuw zien we de naam Pelgrim verdwijnen. De nakomelingen worden dan kortweg Lerinck genoemd (in diverse spelvarianten) en het is dan niet meer te zien dat men hier in feite in de mannelijke lijn met nazaten van Pielegrimus de Hurste heeft te maken.

Hoe vond Wilhelmus pelegrini zijn bruid Aleyt Lerinck? Dat er een zakelijke relatie tussen Wilhelmus pelegrini en zijn latere schoonvader Jacob Lerinck uit Doesburg bestond, blijkt uit de regestenlijst Bronkhorst (de graven van Limburg Stirem in Gelderland, deel III, no 2; regest nr. 56):

“1344 april 29 Jacob Lerinc en Willem Pelegrinussoon van Zuytphen, knapen en anderen treden op als borgen van Jonker Reynolt, hertog van Gelren”. Het zegel van Willem is verloren gegaan, dat van Jacob is zwaar beschadigd.

In 1359 verkocht Willem Pelgrim het halve goed “Oeldehof” in het kerspel Voorst aan Plunys Crauwel. Ook hieruit blijkt een vroege relatie van de Pelgrim’s met de Lerincks in Doesburg. Herman Lerinck uit Doesburg had zes jaar eerder een deel van dat goed aan dezelfde koper overgedaan. Voor 1353 moeten Herman Lerinck en Willem heer Pielgrimsoene het goed Oeldehof al hebben gedeeld. Aleyt en Willem zijn tussen 1352 en 1358 gehuwd geweest. Dat valt dus samen met de periode van de transacties rond Oeldehof. Waarschijnlijk heeft Willem dan ook door zijn zakelijke partner Herman Lerinch uit Doesburg zijn derde echtgenote Aleyt Lerinck leren kennen.

Uit het huwelijk van Aleyt Lerinck en Wilhelmus Pelegrini zijn twee kinderen voortgekomen: (Mar)griete Pelgrim, geheten Lerinck en Jacob Pelgrim, geheten Lerinck. Beiden waren in 1359 onmondig. Zij moeten na 1352 zijn geboren, want Oda, de tweede vrouw van Wilhelmus Pelegrini, wordt nog in 1352 genoemd. Jacob is naar zijn Doesburgse grootvader genoemd.

Voor de kinderen van Aleyt werd goed gezorgd. Uit een oorkonde van Edwart van Gelre uit het jaar 1359 blijkt, dat Willem, de zoon van heer Pelegrim, burger van Zutphen, voor het gerecht in Zutphen had bekend, dat het goed “Averwech gheleghen to Wesepe” en andere stukken land en tienden en alle horigen toebehoorden aan de kinderen Griete en Jacob, die hij bij zijn vrouw Aleyt, dochter van Jacob Lerijnck van Doesburg had verwekt en dat de kinderen hun vader er het vruchtgebruik van gaven.

Voor de historisch en taalkundig geïnteresseerden volgt hier de oorspronkelijke tekst, die is te vinden in het Stadsarchief van Zutphen, particuliere charters, regest 32:

“Wi Edwart van Gelre. maken kont ende kenlic. allen luden mit desen openen brieve. dat voer ons comen is tot Zutphen in sittenden gherichte Willem heren Pelgrims soene burgher tot Zutphen. ende bekande dat deze gude die hierna bescreven staen. als ierst ‘t goet gheheyten Averwech. gheleghen to Wesepe. ende seven ende twintich merghen lands gheleghen bij den voerss. gude. voert meer die helft van den tiende grof ende smal gheleghen. to Evede. ende to Harvesen. Voert maer de helfte van den alinghen goede gheheyten Mokerden. mit alle dien horighen luden. die daer to behoren. ende mit anders alle sijne toebehoringhe. voert meer een vierdel van een tiende gheleghen to Warensvelde. mit aller toebehoringhe alle der vors. guede. ende also alse dese voers. guede gheleghen sijn. toebehoren erflike ende ewelike. Margrieten ende Jacob sinen kinderen. die hi hadde bij Aleijden Jacob Lerryncks dochter van Doesborch wilneer sinen witliken wive. Ende dat hi in alle desen voerss. goederen mit alle oren toebehoren met en hevet. met Griete ende ]acob voers. hebben willen oren vader dese voerseghede guede ghemaket umme weldaet wille ende ghenade to sinen live ende niet lengher. hier waren over ende aan. her Johan van Moerse. her Johan van Mecker Riddere. ende Ude van Mekeren knape alse gherichtes lude. ende ander viele guede lude. in oerkunde des hebbe wij unse seghel doen hanghen aen desen brief. ende want ie Willem heren Pelegrins soene voers. bekenne. dat dese voers. saken waer sijn. hebbic under meerre vestnisse wille mijn seghel mede ghehangen aen desen brieve. Ghegheven int jaer uns heren. dusent driehondert neghen ende viftich des Manendaghes na sunte Petersdaghe ad Vincula”.

Het zegel dat de Pelgrim’s gebruikten was schuingevierendeeld. De tak Pelgrim, geheten Lerinck heeft dit zegel overgenomen. Er is een oorkonde van 28 december 1374 (Archief Oude en Nieuwe Gasthuis), waaraan de zegels van “Willem Pelgeram [11] ende sin broder Jacop Lerinc” hangen. Daaraan is te zien dat zij het zelfde wapen gebruikten, alleen Willem met een ster in het bovenste vierendeel en Jacob met een ster in het linker vierendeel (voor de kijker rechts, want in de heraldiek beschrijft men wapens alsof men er achter staat). Jacob gebruikte dit zegel later (1385) zonder ster en effen uitgevoerd. Dit zien wij ook bij zijn zonen en kleinzonen.

In 1379 werd Jacob Lerinck beleend met de Havezathe “Het Velde” te Warnsveld. Een jaar eerder had zijn vrouw Lutgert Kreynck dit huis ontvangen, terwijl haar broer Jan Kreyinck de “hulder” was. In het register op de leenakten-boeken van het kwartier Zutphen staat het als volgt beschreven:

“’t goet ten Velde, ten Zutphensche rechte, helt Henrick van Suderoes anno 1326. Lutgert, Jacob Lerinx wijf heeft ontvangen ‘t goet te Velde, gelegen in den kerspel to Warnsfelde, ten Zutphensche rechte, anno 1378. Jan Kreyinck, haar broder, is hulder. Jacob Lerinck beleent anno 1379.

Een jaar voordat hij met Het Velde beleend werd, was Jacob al met een ander goed beleend, namelijk het goed “De Hulst”, ook genoemd “De laatste Stuiver” in Eefde. Ook dit goed zou uiteindelijk op zijn kleinzonen Gerrit en Willem vererven.

Omstreeks 1380 kwam het leen “Het Meyerinc” te Angeren aan een Zutphense Lerinck. De voornaam is er niet bij vermeld, maar het zal om Jacob gaan.

In 1381 bezegelde Henric, Heer van Wisch, een oorkonde, waarin staat dat hij zijn leenman Jacop Leringh, burger te Zutphen, de halve tiend te Evede in het kerspel Warnsvelt en de halve tiend te “Harvesen in het kerspel Almen, grof en smal”, heeft opgedragen (Archief Oude en Nieuwe Gasthuis, Stadsarchief Zutphen, regest 14).

Jacob had in Lutgert Kreynck (ook als Kreyinck of Creynck gespeld en uit te spreken als Krèjink) een goede partij gehuwd. De familie Kreynck behoorde net als de Pelgrims, geheten Lerinck tot de toplaag van de Zutphense samenleving. Jacob en zijn vrouw worden nog in 1381 genoemd. Zij droegen toen aan het kapittel van St. Walburg een tiende te Eefde onder Warnsveld en Harfsen op (Tijdrekenkundig register, deel II, Stadsarchief te Zutphen).

Op 2 september 1384 verklaarde de stad Zutphen dat zij aan Jacop Lering, die toen een jaar of dertig moet zijn geweest, een jaarlijkse los -en erfrente schuldig was van anderhalf gouden schild (Inventarislijst nr. 1313, regest 294). En in 1389 werden aan “Jacob Leringhs kindt” en aan “Andries Pillegrim” tien stuivers toegekend (Inv. Nr. 744). In de jaren daarna heb ik Jacob en zijn vrouw niet in de archieven terug kunnen vinden. Omdat Willem, hun oudste zoon in 1402 met Het Velde werd beleend, neem ik aan dat Jacob omstreeks dat jaar is overleden. Hij zal dus ongeveer 50 jaar zijn geworden.

Pelgrim, “gheheyten Lerinck” – de volgende generatie

Uit het register op de leenakten-boeken kunnen wij de genealogie van de Zutphen­se Lerincks afleiden: Jacob had twee zonen: Andries en Willem. Willem was kennelijk de oudste, want Het Velde ging op hem over. Andries had twee zonen, waarvan Gerrit de oudste was en Willem de jongste. Omdat zijn oom Willem geen kinderen had, ging Het Velde op Gerrit over. Daarna ging het goed over op zijn jongere broer Willem en dan weer op diens nog levende zoon Andries. Nadat deze overleed, ging het over op zijn zuster Catharina.

Aan de belastingaanslagen uit de vijftiende eeuw is af te lezen dat de families Lerinck en Kreynck in het hoogste tarief vielen. Twee eeuwen maakten deze families deel uit van het stadsbestuur als schepen, raad, rentmeester en burgemeester. Zij woonden niet alleen op hun landgoederen, maar ook in hun dure stadswoningen vanwege het comfort, de veiligheid en de sociale contacten [12]. Wij zullen nu nagaan, hoe de kinderen en kleinkinderen van Jacob en Lutgert het kleine familie-imperium hebben kunnen uitbouwen.

Ik heb nergens een geboortedatum van een van die kinderen en kleinkinderen kunnen vinden, dus hun leeftijden zullen wij moeten reconstrueren aan de hand van andere gegevens. De eerste die we in de archieven tegenkomen is Andries, de jongste zoon van Jacob en Lutgert: in 1386 wordt “Het halve veerstede to Diederen” (Dieren?) genoemd als een leen van Andries Leerinck (in 1460 vererfde het op diens oudste zoon, Gerit). Andries moet omstreeks 1365 zijn geboren. Hij is naar de grootvader Kreynck genoemd. De namen Andries of Andreas waren generaties lang bij de Kreyncks in gebruik.

Andries Pelgrim, geheten Lerinck, was van 1414 tot 1428 schout binnen en buiten Zutphen. Dit ambt werd alleen aan edelen toevertrouwd. De schout buiten Zutphen trad namens de Hertog van Gelre op. Andries was getrouwd met Wibberich Unk. In het Rechterlijk Archief in Arnhem vond ik een “scheepssignaat” van rond het jaar 1425, waarin Andries Lerinck genoemd wordt. Het handschrift en het Latijn zijn moeilijk te ontcijferen. Met enige moeite kan men in het geel gemarkeerde gedeelte de naam Andries Lerinck herkennen.

Ik vond ook een oorkonde, waarin hertog Arnold op zekere voorwaarden aan Andries twee stukken land in erfpacht gaf. Het betrof een “maatje lant” gelegen bij de hofstad van Henrich ten Reyne in de buurtschap van Vierakker en een stuk land en een kooltuin in “Zutphener enk”. Hij moest daarvoor 224 Reinaldus guldens terugbetalen. De oorkonde is bezegeld door de hertog en door Henrick “heer tot Wysch”, landdrost van Zutphen “int jair onss Heren dusent vyerhondert seess ende twyntich, op sente Valentinus’ avont des heyyligen martelaers” (Inventaris van Martens van Sevenhoven van de Gelderse Rekenkamer, regest nr. 82). Op 19 maart 1552 werden die landerijen uiteindelijk ingelost, namelijk door Willem Bentinck, die door het huwelijk met Andries’ kleindochter, in het bezit er van was gekomen.

Andries wordt in oorkonden betreffende zakelijke transacties niet zo vaak genoemd. Hij was waarschijnlijk als schout van de Hertog van Gelre te druk met andere kwesties. In 1411 wordt hij als “hulder” genoemd. Een zekere Nesa, weduwe van Bartold ten Mersch, ontving toen “die merss” te Zutphen.




                De naam van Andries Leryng in een oud scheepssignaat (Gemeentearchief Arnhem)


Uit een verklaring van Andries Yseren en zijn vrouw Styne op 2 mei 1427 blijkt, dat het huis naast hun huis aan het Oude Wand is “Andries Leryngs husinge”. Dit huis wordt in Gelderse Monumenten [13] genoemd. Het is het huis aan het huidige Oude Wand nr. 100. Het wordt vermeld als een van de oudste stenen huizen van Zutphen. Volgens deze bron zou het rond 1300 zijn gebouwd en in 1401 door Willem Lerinck van Het Velde zijn gekocht. Ik neem aan dat hij het kocht van de familie van Mekeren, een adellijk geslacht in Doesburg, omdat er in 1469 nog een rente aan Herman van Mekeren en zijn erven werd betaald. De familie van Mekeren was overigens aan de Lerincks in Doesburg gelieerd.

In 1430 wordt Andries nog eens genoemd. Op 29 april van dat jaar delen de schepenen van Zutphen per oorkonde mee, dat Andries Lering verklaard heeft, dat hij van Egbert ten Have 820 Reynaldus guldens heeft ontvangen, ter lossing van diens goed en van de tyns -en hoofdgelden, hem door de Hertog verpand. Ik neem aan dat Andries dit geld uit hoofde van zijn functie voor de Hertog incasseerde.

Ik denk dat Andries kort daarna is gestorven. In 1432 gingen de rechten op Het Velde namelijk van zijn broer Willem over op Andries’ oudste zoon Gerit. Andries moet rond de zestig jaar zijn geworden.

Op 23 mei 1439 ontvingen volgens het register van de lenen van de Sint Salvator Abdij te Prüm zijn weduwe Wibberich en haar kinderen een tynsgoed, dat eerder door wijlen Andries Lerinc van een ongenoemde horige man was gekocht. Het goed wordt als volgt beschreven:

“alsodanen camp, geheiten Hugen camp, haldende omtrint VII malder saetlandes, mit eenre waerhorende in Eyscheder marke, als dit affgespleten ende gesceiden is van onse hoeringen guede, geheiten Scuerinc, also als die camp ende erffnisse gelegen is in den kerspel van Gorselo en in der buerscap van Eeschede”

Andries’ oudere broer, Willem Pelgrim, geheten Lerinck wordt in het begin van de vijftiende eeuw nogal eens genoemd. Hij lijkt een houwdegen geweest te zijn. Schepen moesten regelmatig legertjes soldaten aanvoeren. Men trok dan ten strijde tegen de bisschop van Utrecht of tegen een andere hanzestad, zoals Deventer. Zo’n militaire actie noemde men een “heervaert”. In 1422 was het Willem’s beurt: “Op Sunter Martensnacht Willem Lerinc ende Lubbert Rensen toe Middachten met 22 ghelaviën (=lansiers,hl) doe Wageningen gewonnen was” [14].

Misschien nog wel harder ging het er bij een andere expeditie aan toe, waarbij Willem als ritmeester optrad:

“manendags na Victoris (‘10 october) Willem Lerinc ende Jacob Schimmelpenninck mit 24 ghelaviën vor Utrecht doe men al den scade daer dede ende die derpe daer brande en waren 5 daghen uyt, verteert met den waghenlude 54 Lb 9 s. 8 d.” [15].

Hij had kennelijk ook zakelijke aangelegenheden in Rhenen, want een zegel van hem uit 1422 bevindt zich in het familiearchief van Rhenen (bron: Muschart). In de daarbij behorende oorkonde wordt hij Willem Leryng genoemd.

Volgens het archief van het Adamanshuis was hij leenman van Wilhem, heer van Bronckhorst. Op verzoek van Wilhem Leryng tuchtigde de heer van Bronckhorst Willem’s vrouw Kathrijne in 1426 aan “de teenden to Bramell myt synen tobehoir. gelegen to Vorden”. Over deze kwestie is twintig jaar later nog veel te doen geweest, toen het klooster, waar Kathrijne als weduwe was ingetreden, in het bezit van de tiend probeerde te komen. Daarover verderop meer.

Door het bestuur van de stad werd Willem enkele malen naar Denemarken gezonden om met andere hanzeleden te onderhandelen. Op een van die reizen ging hij naar Draka, waar de koning van Denemarken woonde. Dit moet een belangrijke missie zijn geweest.

Hij was twee keer gehuwd: de eerste vrouw was Nese van Steenbergen, zoals wij uit uit het leenakten-boek m.b.t. Het Velde weten. De tweede was Catharina van den Wall (ook genoemd Kathrijne van den Walle). Zij trad als weduwe in een kloosterorde in. In 1462 wordt zij als weduwe-zuster in het klooster Bethanië te Arnhem vermeld.

Willem was degene die het huis aan het Oude Wand als eerste verwierf. Volgens Gelderse Monumenten was dat zoals eerder opgemerkt in 1401. Hij was schepen van 1403 tot 1431. In 1432 stierf hij waarschijnlijk, want toen werd zijn erfgenaam Gerit met Het Velde beleend. Hij moet over de zestig jaar oud zijn geworden.

Gerit en Willem Lerinck

Vanaf het midden van de vijftiende eeuw worden Ger(r)it (ook Geryt) en Willem Pelgrim, geheten Lerinck (soms ook Lerynck of Lering) genoemd. Dit waren zonen van Andries. Beiden traden op als leenman van de Hertog van Gelre. In 1441 zien we het eerste optreden van Gerit. Hij wordt dan Geerdt Leringhk Andriesz. genoemd. Wat was er aan de hand? Tante Kathrijne, die in het klooster was ingetreden na het overlijden van haar man Willem, had een broer Derick van den Walle. Deze mocht (met toestemming van zijn zuster) gedurende zijn zuster’s leven vanaf 1441 een korenrente (4 malder rogge en 2 malder haver) heffen uit het goed Wilmynck, kerspel Vorden, buurtschap Bramel. Over dit goed wordt gezegd: “die oick horen in den tiende toe Bramel”. Kennelijk is daar onenigheid over ontstaan, omdat Gerit en Willem Lerrinck het met die bepaling niet eens waren. Uiteindelijk is het tot een uitspraak gekomen in januari 1462. Scheidslieden bepaalden toen, dat het Klooster Bethaniën tegen betaling in het bezit van de tiend zou komen. Het klooster moest daar wel 615 gouden Rijnse guldens voor betalen. De uitspraak werd op 1 maart 1462 door Hertog Arnold bevestigd (Archief Adamanshuis).

Gerit wordt ook in 1447 genoemd. Hij was toen XII gulden verschuldigd aan heer Asse Boelken, uit zijn “huis tussen Andries Yseren en Andries Kreynck”. Kennelijk had Gerit er een stuk bij gekocht, waarschijnlijk het stuk dat er achter lag.

Geryt, Heer tot Het Velde, zegelde als leenman op 27 november 1451 (bron: Muschart). In 1455 kregen hij en zijn broer Willem van hertog Arnold

“den hoff tot Angeren in de buurschap Angeren, karspell Warnsfelt gelegen, tot heurer tweer lijve off wie van hun dat langste leeft beheltlick dat sij den rector der vicarien die wij binnen de Nije stad van Zutphen in der kercken te geven hebben, tien mtr. roggen tien mtr. koorne ende vierentwintich pond geldes sullen geven” (Kreynck, Geestelijke Brieven, Stadsarchief Zutphen).

Gerit is nooit als schepen gevraagd. Dat zegt wel iets over zijn kwaliteiten. Veel van zijn handelingen verrichtte hij samen met zijn broer. In 1457 woonde hij bij zijn moeder in huis. In 1461 ruilden hij en zijn broer grond met Gerrit Kreynck. Op die grond werd het klooster Galileën gebouwd. In 1462 waren zij samen nog bij een transactie met betrekking tot hun land “Stuermanskampe” te Warnsveld betrokken. In 1465 trad zijn broer als gevolmachtigde voor hem op. Dit wijst er op dat hij niet meer gezond was, hetzij geestelijk, hetzij lichamelijk. In 1469 betaalden zij nog samen een bedrag ter hoogte van “X overlangse golden rynsche gulden off ander payment an golde namentlick XXI stuver voer elke gulden gerekent” aan Herman van Mekeren en zijn erven (Rechterlijk Archief Zutphen). Het betrof hier waarschijnlijk een afbetaling of een erfrente op hun huis aan het Oude Wand.

Gerit is voor 1475 gestorven. Hij moet ongeveer vijftig jaar zijn geworden. Het wordt uit de bronnen niet duidelijk of hij was gehuwd en of hij kinderen had. Diverse bronnen spreken elkaar tegen. Ik kom hier verderop op terug.


                   


Boven: De achterkant van het huis dat Gerit Lerinck van zijn oom Willem erfde. Door laatstgenoemde werd het verworven in 1401, vermoedelijk door een transactie met Herman van Mekeren. Het is een van de oudste stenen huizen in Zutphen (ca. 1300), waarvan twee gotische spitsboognissen in de oostgevel getuigen. De voorgevel (Oude Wand 100) is niet origineel, maar de achterkant is vrijwel intact met zijn hoge zadeldak tussen twee topgevels die met ezelsruggen zijn afgedekt.


Willem, de andere zoon van schout Andries Pelgrim, geheten Lerinck bracht het in maatschappelijk opzicht veel verder dan Gerit. Hij moet omstreeks 1426 zijn geboren en maakte maar liefst tweeënvijftig jaar deel uit van het bestuur van de stad Zutphen. Hij was schepen, raad, onder -en overrentmeester en burgemeester van de stad. Hij werd door de stad uitgezonden naar belangrijke onderhandelingsrondes. Zo was hij bijvoorbeeld in 1459 gedeputeerde bij Hertog Arnold van Gelre. Daarnaast was hij bestuurder van de Worf en het Spittaal (gasthuizen in Zutphen).

Hij huwde in 1446 Beerne van Boerlo. De bruidsschat bedroeg tweehonderd Carolusguldens (aangezien een geschoold arbeider vijf stuivers per dag verdiende en er ruim twintig stuivers in een gulden gingen - het hing er van af welke gulden -, kwam de bruidschat overeen met duizend daglonen). Zij was een dochter uit een vooraanstaand geslacht van bestuurders. Ook de familie van Boerlo maakte eeuwen lang deel uit van de magistratuur van Zutphen, in alle denkbare functies. Willem Lerinck is tweeëntwintig jaar met Beerne van Boerlo getrouwd geweest. Zij stierf in het jaar 1468. Zij moet toen voor in de veertig zijn geweest.

In 1448 was Willem tot het college van schepenen toegetreden, dat hij tot zijn dood in 1500 niet meer zou verlaten. Hij was vanwege zijn geroutineerdheid als stadsbestuurder een veelgevraagd man in scheidsgerechten. Hij maakt nogal eens deel uit van Commissies van Goede Diensten, die in het leven werden geroepen om moeilijke conflicten op te lossen. In 1460 werden Willem en twee anderen bijvoorbeeld “als geschietslude onthaelt” bij een “magescheid” inzake ter Cluessen/Boevinck (bron: Muschart). Heitling en Lensen vermelden dat hij zo rijk was, dat zijn vermogen de hoogste belastingaanslag toeliet [16]. Officieel woonde hij op Het Velde in Warnsveld. Zijn grootste bezit lag dus buiten de gemeente Zutphen. Hij woonde net als alle andere rijke families echter meestal in de stad. Hij had daar zoals wij eerder zagen een huis aan het Oude Wand. De steeg achter zijn erf werd de Lerincksteeg genoemd. De Lerincks woonden tussen de families Yseren en Kreynck in. De happy few van Zutphen woonden in de vijftiende eeuw dicht bij elkaar: “Grootgrondbezitters die naar de stad kwamen hebben hier (aan het Oude Wand) hun kapitale stenen huizen laten zetten. Langs het Oude Wand woonde vrijwel uitsluitend de middeleeuwse ‘chic’ op een rijtje” [17].

Naast de al genoemde lenen worden in de leenregisters ook nog andere genoemd:

“dat goet to Lonyngh, in den kerspel van Wichmond gelegen, tot eenen Zutphensche leensrechten ontfinc Willem Lerinck anno 1453, idem 1465" en “Die Wertelt ende Eschedeweyde by Neyenbake (bij Gorssel), item dat goet Mensekinck op der Veerst in den broich gelegen, tot Zutphensche rechte ontfinc Willem Lerinck ende Alphert Yseren, elck halff ende elck besunder, tot Zutphensche rechte anno 1469”.

De helft van de “Eschedeweyde” ging in 1501 op zijn zoon Andries over, in 1516 op diens zuster Catharina en in 1538 op haar zoon Willem Bentinck.

Willem Lerinck en zijn vrouw woonden in het huis dat zijn oom Willem al eerder verworven had, tegenover het Adamanshuis, een vrouwenconvent aan het Oude Wand. Zij droegen de bewoonsters een warm hart toe. Zij verkochten in 1462 aan de zusters hun tuin en hun boomgaard, gelegen op de hoek van het Oude Wand en de Kommerstraat. Het object is zo beschreven: “hoff ende bomgaerden myt synen tobehoer soe de gelegen is opten oelden Wande opten hoecke vander Kommerstraete ende langes de straete an de ene zyden achter streckende an erfnisse der Jouferen vorscr. ende vor ande straete” (archief Adamanshuis). Toen Beerne stierf schonk zij de zusters o.a. een zwartfluwelen kazuifel en twintig Rijnlandse guldens.

Willem bepaalde op zijn sterfbed op de avond van St. Agathendag (5 februari) in 1500 dat het convent honderdtwintig goudguldens moest ontvangen, opdat de zusters voortaan twee missen per week voor hem en zijn familie zouden opdragen [18]. Daarnaast ontvingen de zusters voor vijftig rijnlandse guldens aan miswijn en boeken van “die eersame Willem Lerinck, onse naeber” [19].

Na Beerne’s dood is Willem nog eens getrouwd, want de zusters van het Adamanshuis noemen Beerne “Willem Lerincks eerste wijff”. Zijn tweede vrouw heette van achternaam Schutte, want in de Broederenkerk in Zutphen zijn er in de gewelfschilderingen twee gecombineerde wapens van Willem Lerinck te zien: een keer het wapen Lerinck x Boerlo (zijn eerste vrouw) en een keer het wapen Schutte x Lerinck (tweede vrouw). Ook in de St. Walburg kerk zijn de wapens van Lerinck en Schutte naast elkaar geplaatst. Het gezamenlijke wapen van Lerinck en Schutte besprak ik al eerder in het kader van de herkomst van het familiewapen van de Pelgrim-Lerinck-familie.

De kinderen van Willem Lerinck

Uit diverse bronnen blijkt dat Willem Lerinck vijf kinderen had: Henrich († 1504), Andries († 1515), Catharina († 1538), Gerberich (geen data bekend; alleen een vermelding in het archief van het Adamanshuis) en Geertruit († 1521). Ik heb echter geen regesten kunnen vinden waaruit blijkt wie de moeder was van deze kinderen. Hier moeten we dus reconstrueren. Er zullen uit beide huwelijken kinderen zijn geboren. De kinderen die Willem Lerinck bij Beerne van Boerlo had moeten rond 1450 zijn geboren (het huwelijk had in 1446 plaatsgevonden). Ik denk dat dit de zonen Henrich (gestorven 1504) en Andries (gestorven 1515) waren.

Kinderen uit het huwelijk Lerinck-Schutte (voornaam niet bekend) kunnen vanaf 1470 zijn geboren. Zij waren dus tussen ca. 1490 en 1500 volwassen. Daarom denk ik dat de dochters Catharina (die omstreeks 1495 huwde), Gerberich en Geertruit uit het tweede huwelijk zijn voortgekomen.

Voor een verdere reconstructie van de familieverhoudingen gaan we nog even terug naar het Leenaktenboek, dat ik eerder aanhaalde (onder Jacob Pelgrim, geheten Lerinck). Dit vermeldt:

“’t goet ten Velde, ten Zutphensche rechte, helt Henrick van Suderoes anno 1326. Lutgert, Jacob Lerinx wijf heeft ontvangen ‘t goet te Velde, gelegen in den kerspel to Warnsfelde, ten Zutphensche rechte, anno 1378. Jan Kreyinck, haar broder, is hulder. Jacob Lerinck beleent anno 1379. Willem Leringh ontfinck dat goet ten Velde met sijnen toebehoren, in Wernsfelder kerspel gelegen, tot eenen Zutphenschen rechte anno 1402. Idem tuchtigt sijn vrou Nese, dochter Reinolts van Steenbergen, anno 1406. Idem ontvengt anno 1424. Gerrit, Andries Lerings oudste soon, erve sijnes ooms Willems, beleent anno 1432. Idem anno 1441. Idem anno 1465. Sijn broder Willem is volmachtige. Idem krigt uutstel om eedt te vernijen van den goede geheiten ten Velde met allen sijnen tobehoren, in den kerespel van Wernsfelt commende met den legen lande ende met der anderen sijde langs de gemeente Warnsfelt, tot Zutphensche rechten, 13 octobris 1473. Idem, vernijt eedt, 14 Maii 1474 Willem Lerinck, erve sijnes broders Gerrits, 6 Julii 1475. Idem vernijt eedt anno 25 augustii 1484. Idem anno 1492. Andries Lerinck beleent 29 Maii 1501. Catharina Lerinx, huysfrou Henrick Bentincks, erve hares broders Andries, beleent 15 Decembris 1516. Willem Bentinck bij transport sijnes vaders Henrix 13 Decembris 153”.

In het Leenaktenboek worden dus slechts twee van Willem Lerinck’s kinderen genoemd: Andries en Catharina. Ik denk dat Henrich niet wordt genoemd, omdat hij te oud of te gebrekkig was toen zijn vader stierf (hij overleed slechts enkele jaren na zijn vader). We weten weinig over hem. Hij was wel bestuurder van een ziekenhuis, maar bekleedde verder geen positie in het bestuur van de stad, in tegenstelling tot zijn voorvaders en zijn broer.

Over Gerberich en Geertruit weten wij afgezien van de twee verderop te noemen vermeldingen helemaal niets.

Willem Lerinck is begraven in de St.Walburgskerk in Zutphen. Bij zerk nr. 32 [20] liggen behalve hijzelf zijn zoon Andries Lerinck, Henrich Lerinck en diens vrouw Garlach. De zerk is beschadigd. Op de zerk stond de volgende tekst:

“Int jaer ōs Hern MVc op Sāt Agata dach starf WYLLE LERĪCK burgmeist. Int jaer XVcXV op Paesavēt starf ANDRES LERĪCK sij soē. Ao 154 op St. Michaels avēt starf HENRICH LERĪCK Ao 1521 op d. 13 Apl. Sterf GARLACH LERĪCK si huisfr.” [21].

Dat Henrich Lerinck als derde in het grafschrift wordt genoemd, is een intrigerend feit. Hij wordt op 9 oktober 1487 genoemd als beheerder van het Bornhoff in Zutph­en (regestenlijst nr. 1243). Een genealogie in het archief van de stad Zutphen noemt hem een zoon van Willem Lerinck. Maar waarom is Henrich’s naam nà die van Andries gebeiteld, terwijl hij eerder is gestorven? En waarom is achter zijn naam niet zoals bij Andries de toevoeging “sij soē “ geplaatst?

De laatste vraag kan ik niet beantwoorden. Misschien is de reden een heel banale: er was geen ruimte op de grafsteen of de grafsteen was juist op die plek beschadigd. En wat de kwestie van het jaartal betreft: in de Wapenheraut (zie voetnoot) wordt verondersteld dat de nul is weggelaten en dat er eigenlijk 1504 had moeten staan. Voor dit laatste valt iets te zeggen, want men had geen ervaring met Arabische cijfers; jaartallen werden eigenlijk altijd in Romeinse cijfers weergegeven of voluit geschreven. Wellicht heeft de steenhouwer het jaartal gebeiteld zoals hij het uitsprak: vijftienvier.

De onduidelijkheid omtrent de chronologie vindt mogelijk zijn oorsprong in een latere bijzetting in dit graf van het echtpaar Henrich en Garlach Lerinck. Het feit dat de sterfjaren van deze twee mensen in Arabische cijfers zijn gebeiteld (in tegenstelling tot de Romeinse cijfers bij Willem en Andries) lijkt zo’n veronderstelling wel te steunen.

Over de zoon Andries Lerinck weten wij meer. Hij was jurist en behoorde net als zijn voorgeslacht tot de magistratuur van Zutphe­n. Als raadslid wordt hij genoemd in 1500, 1512 en 1515. Als rentmeester in 1501 en 1507. En als schepen in 1501, 1502, 1507, 1510, 1511 en 1513. Hij was de laatste Lerinck die in het bestuur van Zutphen een rol van belang speelde. Hij heeft de teloorgang van de stad moeten meemaken. Hij zegelde overigens niet met het bekende schuingevierendeelde wapen dat door alle Zutphense Lerincks voor hem was gebruikt. In zijn zegel is een vijfbladige bloem te zien, waar van het vijfde blad naar beneden wijst. Hij had zover ik weet geen kinderen en stierf in het jaar 1515.

In het Archief van het Adamanshuis te Zutphen (Mortuarium inv. Nr. 1) is te lezen:

“Andries Lerinck onse leenheer ende heeft ons to testament gegeven XII goltgulden Ende Gerberich syn suster wellich heft ons testament gegeven”.

Uit dit stuk blijkt dat hij een zuster Gerberich had. En uit andere bronnen weten wij, dat Andries behalve Gerberich nòg twee zusters had: Geertruit († 1521) en de al eerder genoemde Catharina (Zutphen 1475-1538 Heerde), die getrouwd was met Hendrik Bentinck. Over Gerberich en Geertruit weten wij buiten het bovenstaande niets. Opvallend is dat de namen Gerberich Lerinck en Geertruit Lerinck een eeuw later in Neede en Vreden (Duitsland) voorkomen.

Andries’ zuster Catharina huwde Henric Benting rond 1495. Zij had drie kinderen: Wllem, Johan en Gerberich. Willem Lerinck en Henric Benting kenden elkaar uit het stadsbestuur, waarvan de Bentings (zij werden ook Bentinck genoemd) net als hij en zijn familie deel uitmaakten. De Bentings en de Lerincks behoorden tot de oude Gelderse adel. Op 26 juli 1487 zegelden Henrick Bentinck en Willem Lerinck gezamelijk, toen Willem Dobbelsteyn van Doenraede, ridder, Heer tot Haren en tot Lathem, beleend werd (regestenlijst nr. 1064 Oud-Archief Doesburg; zegels beschreven door Muschart). Waarschijnlijk traden zij daarbij als getuigen of leenmannen op.

Henric Benting was een goede partij voor Catharina Lerinck [22]. Hij was rentmeester van de Veluwe en werd in 1505 door Arnhem naar keizer Karel V afgevaardigd. Hun zoon Willem werd na de dood van Catharina Lerinck de nieuwe Heer tot Het Velde. Hun andere zoon, Johan, werd als rentmeester van de Veluwe de opvolger van zijn vader. Hij werd bovendien rekenmeester van de Hertog van Gelre, die ook Graaf van Zutphen was. Rond 1495 werd dat ambt overigens ingevuld door de Doesburger Warner Lerinck, leenman van de Hof van Bingerden en rechter van het “rigterampt Doesborgh”, die schatmeester van het land van Zutphen was. Hieruit blijkt dat zowel de Lerincks als de Bentincks in die periode tot het financiële machtscentrum van het Graafschap Zutphen moeten worden gerekend.

Op grond van de leeftijden (let op de huwelijks-, resp. sterfdata) kom ik tot de conclusie dat Henrich Lerinck uit het eerste huwelijk voortkwam en alle anderen uit het tweede huwelijk van Willem Lerinck.

Hoe gaat de mannelijke lijn nu verder?

Voor het vaststellen van de mannelijke lijn na Willem Lerinck stuiten we nu op een probleem. Over kinderen van Henrich Lerinck en zijn vrouw Garlach heb ik geen papieren bewijzen kunnen vinden. Andries Lerinck stierf kinderloos. Catharina Lerinck huwde een Bentinck. Zij heeft bovendien net als haar zusters Gerberich Lerinck en Geertruit Lerinck geen y-dna doorgegeven. Hoe kan de naam Lerinck in Zutphen dan zijn vervolg hebben gekregen?

Een feit is, dat er voor en na 1500 meerdere Lerincks worden genoemd in allerlei Zutphense regesten, die typische voornamen dragen uit die familie. Op 6 maart 1494 verklaarden een zekere Jacob Lubbertsz en zijn vrouw Webbeken dat zij geld verschuldigd waren aan Gerrit Leerijnck, de broer van Webbeken.

Dat Gerrit en Webbeken nog vier broers hadden, blijkt uit een tweetal documenten. Het eerste betreft het overlijden van Wibben Lerincks in 1502 (collectie Kreynck, Stadsarchief Zutphen): toen trad haar broer Gert Lerinck op namens zijn broers Jan en Willem.

Het tweede is een document van oktober of november 1515 (Part. Charters, regest 672, Stadsarchief Zutphen). Daarin wordt vermeld dat Willem Lerinck en zijn vrouw Beele, Jan Lerinck, anders geheten Pelser en zijn vrouw Stine, Gert Lerinck en zijn vrouw Griete, Kersteyn en Henrick, allen broeders en zusters, het huis voor de “Broederen” te Zutphen verkopen, waar Jacob Pelser en Webbe gestorven zijn.

Uit deze gegevens blijkt dat er in ieder geval vier broers waren: Willem, Gerit, Kersteyn en Henrick en minstens één zuster: Webbeken. Jacob Lubbertsz, ook geheten Pelser, was een zwager. Net als Jan. Beele, Stine en Griete waren schoonzusters. De hier genoemde voornamen vinden wij - met uitzondering van de namen Beele en Webbeken - terug in latere generaties in Zutphen zelf en in meerdere plaatsen in de omgeving van deze stad, hetgeen er op duidt dat hun nakomelingen zich verspreid hebben.

Een genealogie in het Stadsarchief van Zutphen veronderstelt dat Gerit Lerinck (Willems’s broer) de vader van deze kinderen was. Lensen en Heitling stellen echter in Stad in de Middeleeuwen (Bijlage 1: Wie was wie?) dat Gerit ongehuwd is gestorven. Zij stellen ook dat Gerit Lerinck waarschijnlijk handelingsonbekwaam was. Zij concluderen dit uit het feit dat Gerit bij zijn moeder inwoonde en dat zijn broer steeds samen met, dan wel namens hem handelde. Een feit is, dat geen stukken zijn gevonden waaruit blijkt dat Gerit getrouwd was en kinderen had. De conclusies van de genealoog in het Zutphense archief staan lijnrecht tegenover die van Lenssen en Heitling.

Ik denk dat deze mensen van Willem Lerinck’s ofwel van Henrich Lerinck en diens vrouw Gerlach afstammen, of van Jan Puls, een zoon van Wilelmus pelegrini. Ik koppel ze aan hun respectieve voorouders:

Gerrit Lerinck (gehuwd met Griete; hij is mogelijk genoemd naar zijn oom Gerrit Lerinck, Willem’s oudere broer) en Webbeken Lerinck (gehuwd met Jacob Lubbertsz is mogelijk genoemd naar haar grootmoeder Wibberich/Wibben Unk, de vrouw van Andries Pelegrim, geheten Lerinck). Jan Lerinck, geheten Pelser (gehuwd met Stine)draagt een naam die mogelijk van eerder genoemde Puls is afgeleid. Willem Lerinck die met Beele was getrouwd is genoemd naar grootvader Willem Lerinck. Over Henrick en Kersteyn weten we niets. Het valt op dat deze namen in de zeventiende eeuw in Deventer opduiken (Henrich Lerinck en Kerst / Karst Lerinck).

De zestiende en de zeventiende eeuw

Over de mannelijke afstammingslijn van de Pilegrims de Hurste naar de Lerincks in de zestiende eeuw is niets te vinden. Het is de vraag of de afstammelingen van Willem en Henrich Lerinck in de stad Zutphen zijn gebleven. In de periferie van Zutphen treffen wij vanaf de zeventiende eeuw Lerincks aan met voornamen die lijken op die van de Lerincks in de vijftiende eeuw en eerder: Henrich, Gerrit, Willem, Gerberich, Geertruit en Jan Lerinck treffen wij aan in Borculo, Eibergen, Vreden, Neede en omliggende buurtschappen.

Dit zegt niet zo heel veel, want juist in dit soort plaatsen ontleende een familie vaak de naam aan het goed dat men bewoonde, zonder in de mannelijke lijn van de drager van die naam af te stammen. Men heette bijvoorbeeld Temminck, maar woonde op een goed genaamd Lerinck. Dan werd men gewoonlijk Lerinck genoemd. Maar als je de bewoner kunt koppelen aan informatie uit de wereld van de heraldische onderzoekers kom je toch weer een stapje verder.  Zo beweert de bekende onderzoeker Muschart dat de Lerincks die in de zeventiende eeuw in Eibergen leefden, afstammelingen zijn van de Lerincks in Zutphen. Muschart werkte altijd met familiewapens. Hij moet bij de Eibergense Lerincks dus een visuele overeenstemming hebben gevonden met het wapen van de Lerincks in Zutphen.

De Lerincks in Neede zijn mogelijk afstammelingen van die in Doesburg, zoals ik in mijn boek aannemelijk heb gemaakt. Hierover meer in Leerink II.

Hoewel geen papieren zijn gevonden die een directe afstammingslijn bewijzen naar mijn op papier bekende voorvaders, de militairen Jan Lerink en Hendrik Jan Lerink (tussen 1694 – 1795 genoemd in o.a. Eibergen, Zwolle, Deventer en Varsseveld), lijkt er een afstammingsliijn te zijn naar Zutphen. Hieraan heb ik uitvoerig aandacht besteed in mijn boek waarnaar in deel 1 wordt verwezen.

Daar kan nu de genetische afstammingslijn naast worden gelegd, aangevuld met wat ik in deel II over de Pielegrims heb uiteengezet.

Ik kan dus van de Lerincks van Zutphen afstammen, of preciezer nog: van de Pilegrims de Hurste in Epse (boven Gorssel). Bewijzen op papier kan ik het geenszins.

Mijn “Viking”-dna kan op uiteenlopende manieren naar de Lage Landen zijn gebracht. Uit Middeleeuwse akten van de stad Deventer weten wij bijvoorbeeld dat er in de twaalfde eeuw een schepen was die zich Hadersleef noemde, een naam die een directe verwijzing is naar het Deense Haderslev.

Het is zeer wel mogelijk dat deze Pilegrims afstammen van iemand die met slechte bedoelingen in de vroege Middeleeuwen de rivier is opgevaren. Maar een afstamming van een handel drijvende Noorman uit het Middeleeuwse Engeland, Denemarken of Noorwegen behoort ook tot de mogelijkheden.

Hiermee is nog altijd niet zeker of ik van de Doesburgse Lerincks afstam of van de Zutphense. Ik denk dat de afstamming van de Zutphense Lerincks, resp. de Pilegrims de meest plausibele verklaring biedt, gezien de naam, de geografische positie en de activiteiten van deze mensen, gecombineerd met mijn dna.

Het mooiste zou zijn als we aan dna van Willem, Andries of Henrich Lerinck zouden kunnen komen, die in de Walburgkerk in Zutphen liggen begraven [23]. Ook zouden we y-dna kunnen vergelijken met Lerincks van andere takken, zoals nakomelingen van die uit Vreden. Of met mannen in Zutphen die Pelgrim heten.

In Vlaardingen is een aantal jaren geleden een groot bevolkingsonderzoek gedaan naar aanleiding van de vondst van ca. 40 goed bewaarde skeletten die omstreeks het jaar 1000 na Chr. daar begraven waren. Dit onderzoek heeft zeer interessante resultaten opgeleverd en het vertelt heel veel over de stad Vlaardingen in de Middeleeuwen. Het heeft de stad Vlaardingen veel publiciteit opgeleverd dank zij dna onderzoek en isotopenonderzoek en gelaatsreconstructies van o.a. de "boomkistman" (een Viking-afstammeling uit York).

Het zou nog eens wat zijn, als een van de topfamilies in het Middeleeuwse Zutphen van een Viking blijkt af te stammen!

Voetnoten deel II

[1] B.J. Hekket in dagblad Tubantia van 25 mei 1974.

[2] In Vikinggraven en vestigingsplaatsen zijn nooit helmen met horens gevonden. Zulke helmen zouden trouwens onpraktisch zijn geweest in de strijd. Het beeld is waarschijnlijk ontsproten aan de romantische voorstelling van een historicus of kunstenaar uit de negentiende eeuw, een voorstelling die Wagner maar al te graag heeft overgenomen.

[3] Bij een check van de lijst van Deense achternamen blijkt dat er nu in Denemarken 100 mensen leven met de achternaam Horst. De naam is dus in het stamgebied van de Noormannen niet onbekend.

[4] Luit van der Tuuk, “Noormannen in de Lage landen”, blz.166 e.v. 2008, Uitgeverij Omniboek, Kampen.

[5] Een falsum is een valse oorkonde die qua tenaamstelling of vorm juist kan zijn, maar bedriegt met de inhoud. In de Middeleeuwen zijn veel valse oorkonden geproduceerd waarin de waarheid ten eigen gunste verdraaid werd. Die oorkonden werden vaak later geproduceerd, soms eeuwen later, dan de datum die op de oorkonde vermeld is. Details op zo'n valse oorkonde kunnen zeker juist zijn, echter de globale inhoud is dat zeker niet. Zie daarvoor ook: N.B.Tenhaeff, Diplomatische studiën over Utrechte Oorkonden der Xe tot XIIe eeuw, Utrecht 1913, P.A.Henderikx 'Onecht of echt?' in Feestbundel prof.dr.D.P.Blok, Hilversum 1990. en Albert Delahaye, Ontspoorde historie, Tilburg 1992.

Zie ook: Dr. J.M. Van Winter, Ministerialiteit en Ridderschap in Gelre en Zutphen, Arnhem 1962; pag.118, verwijzing 30.

[6] Volgens de index van persoonsnamen en geografische namen in het Oorkondenboek van Gelre en Zutphen 1148-1326 is Hugo van Horst getrouwd met Aleid. Hij heeft een broer Pelgrim, kanunnik van het Kapittel te Zutphen en een zoon Alexander.

[7] De Graafschap in de Middeleeuwen: Anderzijds zijn er mannen die leven van hun feodum (landerijen en horigen in leenbezit). Zij worden leenheren , vazallen, of leenmannen genoemd. Later komen daar ministerialen bij. Zij hebben hun land in leen gekregen van de kerk of een heer en verrichten daarvoor een wederdienst. Om deze reden worden zij ook wel dienstmannen genoemd. Zij zijn dus niet edelvrij geboren, want zij zijn dienstplichtig aan kerk of heer. Een feodum vererft min of meer ook binnen de familie, maar het leen dient wel door de grondbezitter bevestigd te worden. Bij misbruik of gebrek aan een erfopvolger vervallen de landerijen aan de kerk of heer die de grond in bezit heeft. Heren en leenheren vormen samen de adel.

[8] J.B. Rietstap: “De wapens van den tegenwoordigen en den vroegeren Nederlandschen Adel”, 1890

[9] Register op de leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen - Het kwartier van Zutphen. Lochem - Dat alinge goet, geheiten Hayekinck

[10] Volgens een aantekening in de acte heette zij Geertruyt van der Moilen

[11] Willem Pelgeram zal een zoon uit het laatste huwelijk van Wilhelmus pelegrinus zijn, dus een halfbroer van Jacob Lerinck. Hij stierf in 1398 op maandag na Alle Heiligen, zoals blijkt uit de overrentmeestersrekeningen in het Stadsarchief te Zutphen

[12] L.Lensen en W.Heitling: Stad in de Middeleeuwen, Uitg. Terra Zutphen, 1983, pag. 221

[13] Gelderse Monumenten, Uitgeverij Waanders, Zwolle, 2000, pag. 364

[14] L.Lensen en W.Heitling: Stad in de Middeleeuwen, Uitg. Terra Zutphen, 1983, pagina 14

[15] Idem, pagina 20; de genoemde cijfers hebben betrekking op de kosten die voor vervoer en verzorging werden gemaakt. Dit stuk komt uit een rentmeestersrekening.

[16] Leo Lensen en Willy Heitling: Stad in de Middeleeuwen Uitg. Terra Zutphen, 1983, pagina 96

[17] Leo Lensen en Willy Heitling: Stad in de Middeleeuwen, Uitg. Terra Zutphen, 1983, pagina 220

[18] Dra. M.Doornink-Hoogenraad: Adamanshuis, pagina 27

[19] Leo Lensen en Willy Heitling: Stad in de Middeleeuwen, Uitg. Terra Zutphen, 1983, pagina 179

[20] In Gelderse Monumenten, Uitgeverij Waanders, Zwolle, 2000pag. 358, wordt deze zerk vermeld als een gotische vorm.

[21] De Wapenheraut, jaargang 1918, pag. 540. Opmerking van de auteur: een streepje op een klnker geeft aan, dat in de spreektaal een n volgt op de klinker. ōs wil dus zeggen: ons en LERĪCK wil zeggen Lerinck

[22] In Nederland’ s Adelsboek is een merkwaardige tegenstrijdigheid geslopen: jaargang 1912 vermeldt Catharina als echtgenote. In de jaargangen 1924 en 1987 wordt echter beweerd dat Gerberich Lerinck de echtgenote van Henric Benting was. Het register op de leenakten-boeken van het Vorstendom Gelre, het kwartier van Zutphen, laat zien dat Het Velde via Catharina op Willem Bentinck vererfde. Jaargang 1912 bevat dus de juiste informatie. Gerberich was een zuster van Catharina Lerinck die zij in haar dochter vernoemde.

[23] Bij zerk nr. 32. Zie ook “Monumenten in Nederland. Gelderland. Pag. 358. Uitgeverij Waanders, Zwolle, 2000” en “De Wapenheraut”, 1918, pag. 540.