De Lerincks van Doesburg - Wie waren zij? Waar kwamen zij vandaan?

Inleiding

Er worden vanaf de veertiende eeuw twee families Lerinck genoemd in het gebied langs de IJssel. De ene familie kende veel gezagsdragers in Doesburg, de andere in Zutphen. Twee machtige families, maar zij waren in genetische zin niet aan elkaar gerelateerd. De Zutphense Lerincks heetten eigenlijk de Hurste en werden ook wel Pielegrim, Pelgrumm of Pelgrim genoemd, afgeleid van peregrinus, hetgeen vreemdeling betekent. Deze "vreemdelingen" uit Zutphen en Hanhorst (onder Deventer) hebben de naam Lerinck als hoofdnaam aangenomen, nadat een van hen met een meisje Lerinck uit Doesburg was getrouwd. Over hen schrijf ik uitvoerig in het deel Lerinck Zutphen op deze website. Ik betoog daar dat zij waarschijnlijk van Deense piraten of Noormannen afstamden.

Over de Doesburgse Lerincks heb ik als oudste vermelding een stuk uit 1333 gevonden (het kan best zijn dat er nòg oudere regesten of oorkonden zijn). Het zijn rechters van de Graaf van Gelre, schepenen, rentmeesters en burgemeesters van Doesburg. Een is zelfs schatmeester van de Graaf van Zutphen. En verder zijn zij grootgrondbezitters. Ik neem aan dat zij hun geld met handel verdienden, maar daarover heb ik geen aanwijzingen kunnen vinden. Zij voerden het zelfde familiewapen als de familie Momm van Kell. Enkele van de dochters huwden adellijke partijen als Van Meekeren en Van Broechusen, maar dat wil niet zeggen dat de Doesburgse Lerincks zelf van adel waren. Sommige woonden op een Havezathe of buitengoed, zowel als in de stad, maar in ridderschappen worden zij niet genoemd. 

Hier nu een samenvatting van wat ik over hen ben te weten gekomen tijdens uitvoerige speurtochten door archieven. Ook besteed ik aandacht aan de betekenis van deze oude achternaam, die uiteindelijk mijn achternaam is (in een nieuwere spelling).


                

Links: zegel van Gerard Lerinck (1345), rechts zegel van Herman Lerinck (rechter, ca. 1333).  Het zegel van Herman Lerinck is bijzonder doordat er een z.g. triskelion (driebeen) op is afgebeeld, een Keltisch zonneradsymbool. In het schild zien wij een op drie rijen geschaakte dwarsbalk, net als bij Warner Lerinck (rechter) en Willem Lerinck (rechter) (zie hier onder). Gerard Lerinck gebruikte als schepen van de stad Doesburg een zegel met twee dwarsbalken. De twee dwarsbalken worden bij hem vergezeld door een gotische letter G boven rechts (dat is voor de kijker links, want een wapen wordt in de heraldiek altijd beschreven alsof men er achter staat) en enkele klaverblaadjes (bron: Muschart).


                                                                      

Links zegel van Warner Lerinck (ca. 1494). Rechts: Zegel van Willem Lerinck, (ca. 1364) met drie geschakeerde dwarsbalken en een ster.


Deel I

Rechters in het “rigterampt Doesborgh” en schepenen van Doesburg

Tussen 1469 en 1509 wordt Warner (of Werner) Leerinc (ook Lering en Lerinck) als rechter genoemd. Hij zegelde met de in drie rijen geschakeerde dwarsbalk en was in juridische zin familie van de Lerincks in Zutphen, maar niet genetisch met hen verwant. Hij was niet alleen rechter, maar ook schatmeester van de graaf van Zutphen. Hij zegelde dus in meerdere functies.

Uit hoofde van hun functie moeten de Doesburgse en de Zutphense Lerincks elkaar goed gekend hebben, want binnen het Graafschap Zutphen zal de schout van de Hertog (Andries Pelegrim, geheten Lerinck) regelmatig met de rechters en schepenen van Doesburg te maken hebben gehad, terwijl de schepenen van beide steden elkaar nogal eens om hulp vroegen. Zij “leenden” bijvoorbeeld elkaars beul, omdat het in bepaalde gevallen beter was dat de beul geen emotionele binding had met het slachtoffer en diens familie. Een voorbeeld van een samenwerkingsverband tussen beide steden vinden wij in 1494: op 6 mei van dat jaar verklaren “burgemeesters, schepenen en raad van Zutphen, Henrick van Egmont, bastaard, Berndt van Holthuysen, schout te Zutphen, Werner Lerinck, richter te Doisborch, schatmeester der Graafschap, en burgemeesters, schepen en raad van Arnhem, Gerit van Mekeren en Brant van Delen, schatmeester van het Kwartier van Arnhem, dat zij van Jonker Adam, broeder Athen Berghe, 1200 gouden Rijnsche guldens ontvangen hebben” (regestenlijst Oud-Archief Zutphen, nr. 1381).

Er gaat tussen 1300 en 1500 geen jaar voorbij of er is wel een Lerinck in het stadsbestuur van Doesburg te vinden. De meesten van hen waren schepen. Van drie is bekend dat zij gezworen rechter van de Hertog van Gelderland waren. Enkelen waren naast schepen ook rentmeester en burgemeester. Verder waren sommigen bestuurder van het gasthuis. En allemaal hadden zij lenen in de kwartieren van Zutphen, de Veluwe en Nijmegen of van het huis Bergh. Van Warner Lerinck is bekend dat hij leenman was van de Hof te Bingerden, een havezathe in Angerlo, die er nog staat, zij het dat het huidige huis door verbouwingen en oorlogsgeweld erg verschilt van het oorspronkelijke. Sommige magistratenfamilies waren door huwelijk aan elkaar gelieerd. Uit diverse regesten is bijvoorbeeld bekend dat Stijne Lerinck getrouwd was met Gerit den Bose, een rechter uit het geslacht Van Mekeren. Onder Lerinck Zutphen wordt de relatie van Lerinck in Doesburg met Pielegrim in Zutphen uit de doeken gedaan.

De rechter in het “richterampt Doesborgh” bekleedde een vertrouwensfunctie ten opzichte van de Graaf. Hij sprak tenslotte recht in een aanzienlijk deel van het graafschap Zutphen. De rechters van het ambt Doesburg woonden in het Kasteel dat in de Middeleeuwen aan de Westzijde van Doesburg moet hebben gelegen en dat in 1527 op last van Hertog Carel van Gelre gesloopt is [1]. Uit bronnen over de justitie in het “kwartier Zutphen” en over het “richterampt Doesburg”[2] blijkt dat de rechter een “ambtsman” van de Graaf was, die in zijn naam recht sprak.

De rechter van het ambt Doesburg sprak niet alleen in de stad recht, maar zoals gezegd ook in een groot gebied daar om heen. Zelfs in Emmerich, dat zelf een “ambtsman” had, had hij nog invloed. Vanaf het moment dat Doesburg stadsrechten kreeg, had de rechter binnen de stadsmuren zelf niet zo veel meer te zeggen. Daar spraken de schepenen recht, zeker vanaf 1343, toen Hertog Reynald de poorters van Doesburg vergunde, alleen voor de schepenen van hun stad terecht te hoeven staan. Overigens behoorden enkele van die schepenen eveneens tot de familie Lerinck.

Vanaf 1372 bestond het “gericht” van het “richterampt Doesborgh” uit een rechter (of diens stadhouder) en twee schepenen uit de magistraat van Doesburg. Men vergaderde gewoonlijk om de twee weken ten stadhuize. De civiele zaken betroffen doorgaans boedels en overdrachten of het registreren van testamenten (nota­rissen waren er niet of liever gezegd niet meer in Gelderland). Voor de strafzaken was men in bepaalde gevallen verplicht om advies te vragen aan de rechtsgeleerden van het Hof van Gelderland.

Warner Lerinck wordt niet alleen genoemd als schatmeester en rechter, maar ook als burgemeester van de stad Doesburg. Met de scheiding der machten nam men het niet zo nauw. Weliswaar was de rechtspraak binnen Doesburg aan de schepenen voorbehouden en die daarbuiten aan de rechter van het ambt Doesburg, maar in dit geval waren beide functies in een hand. Warner moet tegen het eind van de vijftiende eeuw in Doesburg dan ook een sleutelpositie hebben ingenomen.

Voetnoten bij deel I

[1] J.Harenberg: Adellijke huizen in het richterambt Doesborgh, pag.56

[2] J.W.van Petersen in een artikel over het “Richterambt Doesborgh”, gepubliceerd in een brochure van De Roode Toren, Museum voor stad en ambt Doesborgh.


Deel II

De naam

De uitgang -ink is typerend voor het Nedersaksische taalgebied, vooral voor het gebied dat nu "Achterhoek" wordt genoemd. Je zou dus kunnen aannemen dat deze naamdragers van een Saksische voorouder afstammen, maar zo eenvoudig ligt het toch niet.

Volgens een artikel van de naamvorser Hekket over de achternaam Leerink [1] is de oorsprong hiervan te vinden “bij Baak, een dorp ten Zuiden van Zutphen in de gemeente Steenderen, dicht bij het fraaie Bronkhorst". Hij zegt: "Daar stond in 1338 het erve Lederkinch, welke naam later afsleet tot Leerkink en tenslotte tot Leerink”.

Deze verklaring moet zoals zij hier is gegeven als onwaarschijnlijk worden bestem­peld. Het duurt meer dan een eeuw voordat een naam “afgesleten” is, maar wij komen de naam Lerinck al in 1335 tegen in een oorkonde van de stad Doesburg. Op historische gronden kan Hekket’s verklaring dus niet geaccep­teerd worden. Er zijn nu twee mogelijkheden: de datum die Hekket noemt is niet juist of deze wordt onnauwkeurig gehanteerd. Misschien kwamen de Leerinks oorspronkelijk wel van het erve Lederkinch, maar dan moet deze hofstede van een veel oudere datum zijn.

Hekket geeft nog een andere verklaring voor de naam Leerink. In de naam van het erve Lederkinch zou de voornaam Lederik schuilgaan, een naam die is terug te voeren op de nog oudere vorm Letherik [2]. Het naamselement “leth” is volgens Hekket Oudsaksisch voor “kwaad” of “zonde”, terwijl het naamselement “rik” (het huidige “rijk”) oorspronkelijk “mach­tig” betekende. Letherik zou dus een naam zijn voor personen die “machtig waren in het kwade”, hetgeen niet op een karaktertrek duidde, maar “op het vermogen om als krijgs­man kwaad te doen”.

Hoewel het een interessante uitleg is, lijkt ook deze speculatief van aard. Het grootste bezwaar er tegen is, dat er niet mee verklaard wordt hoe het naamselement -rik zich heeft kunnen omvormen tot het nasale -rink. In het hele Nederlandse taalgebied heeft -rik zich kunnen handhaven in de vormen “rijk” of “rik”. Waarom dan niet in de namen Leerink en Leering? Wij kunnen deze uitleg – hoe romantisch ook – alleen accepteren als er sprake is geweest van een klankombuiging van -ik naar het voor deze streek typische -ink. Het komt vaker voor dat streekgebonden naamdelen tot omvorming van een naam leiden. Maar vooralsnog heb ik dit soort ombuigingen niet kunnen vinden.

Het Gelderse deel van het Nederlands repertorium van familienamen (uitgave 1971) [3] geeft een andere verklaring. Het stelt “dat het type van de -ink-namen-dragers in Gelderland vooral karakteristiek is voor de Achterhoek” en “Voor een niet onbelangrijk deel zetten de -ink-namen oude boerderijnamen voort. In de Achterhoek en in Twente ‘benaamde’ de boerderij zijn bewoners”.

Deze verklaring spoort gedeeltelijk met de uitleg die de grootvader van Jacob IJ. Leerink uit Bad Pyrmont had bedacht: Leer zou staan voor leeg (de Duitse betekenis) en -ink voor erf. De familienaam zou dus terug gaan op een “leeg erf”, ofwel een kleine boerderij. Deze verklaring kan echter niet kloppen, omdat het woord voor “leeg” in de Middeleeuwen “ledec” was. De oorspronkelijke naam zou dan Ledecinc zijn geweest (hetgeen zoveel als “vrij erf” betekende, dus dat de bewoner er van niet horig was, maar een z.g. “vrije”). Met deze uitleg zou echter het opduiken van de medeklinker r niet verklaard zijn, zodat we haar moeten verwerpen.

Ook mag een Vlaamse uitleg van de naam niet onvermeld blijven: volgens het Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk van Frans Debrabandere is de naam als bijnaam op de Middelnederlandse betekenis “leerling” terug te voeren (zie onder Lerinck(x), Lerink). Deze uitleg wordt ondersteund door wat het Middelnederlandsch Woordenboek zegt: "de woorden leer en leeric betekenen “leraar”of “iemand die een leer verspreidt”, terwijl met lerinc en leering een “leerling” wordt omschreven". Probleem hierbij is, dat in de Middeleeuwen geen naamdragers werden gevonden die leraar dan wel leerling waren. Het waren kooplieden, magistraten en regenten, die weliswaar recht spraken, adviezen gaven en charters ondertekenden, maar geen leer uitdroegen zoals een leraar dat doet.

In de Middeleeuwen wordt in de Zuidelijke Nederlanden enkele malen de naam genoemd: in 1327 Henricus Leering, in 1332 Henrici Lerincs (dit is een genitivus met de betekenis “van Henricus Leerink”) en in 1340 een Henricus Lerinc in Wommersom, Oost-Brabant. Ik sluit niet uit dat het hier steeds gaat om Henric Lerinc, Commandeur van de Orde van St. Jan in Arnhem, die waarschijnlijk uit hoofde van zijn beroep moest reizen.

Voetnoten bij deel II

[1] B.J.Hekket in het dagblad Tubantia van 25 mei 1974

[2] De naam Letherik berust op zich zelf niet op fantasie. Ik kwam hem tegen in een lijst van immigranten die in de negentiende eeuw in de USA werd opgesteld: Johannis Letherik, 26 jaar oud, voer in 1738 met de Queen Elisabeth van Rotterdam naar Pennsylvania. Heden leeft hij in de verbasterde vorm Lethrik voort in de VS.

[3] Deel Gelderland, pag. 50,51. Zie ook het deel Overijssel, pag.6


Deel III - Oorsprong en heraldiek

Waar kwamen de Lerincks vandaan?

De enige geschreven aanwijzing die ik kon vinden is de verwijzing van Hekket naar het goed "Lederkinch" in Baak, die ik hier boven heb besproken. De naam Lerinck duikt zomaar op in Doesburg en is rond 1325 verder alleen in België te vinden. Enkele decennia daarna in Arnhem: Henric Lerinc, een broeder van de Commanderije van St. Jan.

Deze aanwijzingen zijn niet voldoende. Ik vind het triskelion in het zegel van Herman Lerinck, waarmee deze pagina begint, een interessante aanwijzing.  Het moet iets te betekenen hebben, wanneer iemand een Keltisch zonneradsymbool in zijn zegel laat zien. Zouden de Lerincks van Doesburg een Keltische oorsprong hebben? Zoiets is niet aan te tonen. Maar als het waar is, dan zouden zij en hun afstammelingen in de mannelijke lijn net als de meeste Keltische afstammelingen waarschijnlijk behoren tot de genetische haplogroep R1b (n.b. de Lerincks van Zutphen behoorden waarschijnlijk tot haplogroep I1a ofwel I-M253; zie hierover Lerinck Zutphen). 

Het wapen waarmee de Lerincks in Doesburg zegelden

We kennen meerdere zegels. Soms zijn het een of twee dwarsbalken. Dit is volgens de regestenlijst van het Streekarchief in Doesburg het "stadskleinzegel". Wie dit gebruikte, deed dat in zijn functie als schepen of rentmeester.

Meerdere generaties gebruikten over twee eeuwen verspreid ook het zegel met de op drie rijen geschaakte dwarsbalk. Dit wapen wordt in drie bronnen beschreven: door Muschart, in Fahnes Urkundenbuch en in de Heraldieke Bibliotheek. De eerste beperkt zich tot een beschrijving er van. De laatste twee beweren dat de Lerincks dit wapen hadden overgenomen van de familie Momm van Kell en de graven van der Marck (Heraldieke Bibliotheek 1883, pag. 95 en Fahnes Urkundenbuch, pag. 8). Met name Warner Lering en François Lering worden genoemd. Warner woonde in Doesburg in de tweede helft van de vijftiende eeuw. François vinden we terug in Neede, in de zeventiende eeuw. Een band tussen Doesburg en de Needese Lerincks kan hiermee worden vastgesteld, al blijft het bewijs wat mager. Er zijn geen aanwijzingen dat de Lerincks in Neede als adel werden beschouwd. De Lerincks van Doesburg hadden echter een status die op zijn minst aan een adellijke doet denken, terwijl sommigen ook aan Gelderse adellijke geslachten waren gelieerd.

Deel IV 

Wie was wie in Doesburg?

In de eerste helft van de veertiende eeuw worden in Doesburg drie Lerincks genoemd. Het betreft Herman, Jacob en Gerard Lerinck. Omdat zij alle drie tussen 1333 en 1350 zegelden, zullen zij tot dezelfde generatie hebben behoord. Het is niet bekend of zij broers of neven van elkaar waren.

Herman Lerinck zegelde volgens de regestenlijst van het Oud-Archief Doesburg op 24 augustus van het jaar 1335 met een geschakeerde dwarsbalk. Hij was op dat moment volmondig en moet dus rond 1310 of eerder zijn geboren. In 1333 werd hij al in de regestenboeken van Keppel genoemd als rechter van de Graaf van Gelre. Hij zegelde toen met een drievoudig geschakeerde dwarbalk met triskelion. In 1353 wordt hij ook weer genoemd, nu als “scepen” en burger, overigens met de naam Lerinch. Volgens heraldisch onderzoeker Muschart zegelde hij bij deze gelegenheid met een zegel met twee dwarsbalken. Volgens de regestenlijst van het Oud-Archief was dit het “stadskleinzegel”. Het zegel bevindt zich aan een charter van het klooster Mariëngrave te Doesburg.

Volgens de leenakten-boeken verkocht hij in datzelfde jaar aan een zekere Plunys Crauwel een zesde deel van “den Kolkinck” en “Oldenhof”, twee hoeven die in het Voorsterkerspel waren gelegen. Dit wijst er op dat hij een grootgrondbezitter was. Herman had een zakelijke relatie met een schepen in Zutphen, die hij “koppelde” aan Aleyt Lerinck.

Jacob Lerinck, die in 1338 als schepen van de stad Doesburg wordt genoemd, voerde een dwarsbalk boven rechts (bron: Muschart). Een genealogie van de hand van L.J. Abelmann in het stadsarchief van Zutphen noemt hem “waarschijnlijk een broer van Herman Lerinck”. Jacob Lerinck was met Lubbe (achternaam onbekend) gehuwd. Jacob en Lubbe hadden een dochter, de boven genoemde Aleyt, die met de Zutphense schepen Wilhelmus pelegrini was gehuwd. In 1357 waren Jacob en Lubbe nog actief, want zij verkochten op 6 mei van dat jaar een stuk land in Doesburg.

In de tweede helft van de veertiende eeuw zien wij een andere naam verschijnen: Willam Lerinc en zijn vrouw Jutta verkochten aan heer Henric van der Hute op 30 oktober 1364 “weijden en lant” in Doesburg, gelegen aan de Pirixstrate. Willam was gezworen richter van de Hertog van Gelderland en zegelde met een in drie rijen geschakeerde dwarsbalk, vergezeld van een hellende ster (bron: Muschart).

Herman Lerinck had in 1335 eveneens met een geschakeerde dwarsbalk gezegeld. Het geeft een relatie tussen Herman en Willam aan. De in drie rijen geschakeerde dwarsbalk is lang in gebruik geweest bij de Lerincks in Doesburg en bijeen nakomeling in de Achterhoek.

Volgens de Heraldieke Bibliotheek zouden de Lerincks dit wapen hebben overgenomen van de familie Momm van Kell, een adellijke familie in Angerlo. 

In 1354 was Willam ook al genoemd (toen als bestuurder van het gasthuis) in een akte van erfwissel tussen hem en het gasthuis in Doesburg, waarbij dit laatste de rechten van eerstgenoemde op de Grietmate verkrijgt, een rente van 1 mark ‘s jaars, ten laste van de stad, twee hofsteden in de Lutticke strate en een hof in pacht bij Otto Abenzoon (Inventarislijst nr. 4601).

Op 10 november 1365 wordt genoemd de schepen en gasthuismeester Johan Lerink (ook Lerinck of Leringh genoemd). Hij zegelde met twee smalle dwarsbalken. Hij moet kort na 1365 gestorven zijn, want een oorkonde uit 1368 vermeldt dat “jonkvrouwe Margaretha, wijff van Ott van Keken”, aan het gasthuis te Doesburg een hofstede schonk “tot eeuwig testament voor haar eerste man Johan Lerinck, schepen en gasthuismeester” (regestenlijst 77).

Er was nog een andere Johan Lerink. Op 11 mei 1369 wordt hij samen met Dyric van Ubel als bestuurder van het gasthuis genoemd (regestenlijst 79).

Ook in het jaar 1369 zegelt Willem Lerinch als rechter. Zelf omschrijft hij zijn functie als volgt: “Ich Willem Lerinch to der tyt een gheswaren richter eens edelen hern des Hertoghen van Gelren greve van Zutphene to Doseborch ende in der kirspel van angerlo” (bron: Fahne’s Urkundenbuch, pag. 9)

In 1371 is er ook weer sprake van een Johan Leringh in Doesburg. Hij was gehuwd met Betrad (achternaam onbekend). Op 24 juli van dat jaar deed Lutgard, vrouw van Henric Winterpoel, afstand van een erfrente van twee pond ‘s jaars uit het huis en hofstede van Johan Vosbeke (bron: leenregister en Inventarislijst nr. 4601, Oud-Archief Doesburg). Lutgard was een dochter van Betrad. Johan en Betrad Leringh verkochten de erfrente vervolgens aan Johan Grubben.

In 1376 en 1377 wordt Johan opnieuw genoemd. Hij kocht toen voor het gasthuis een stuk land. Hij zal wel een zoon van Johan zijn die rond 1366 is gestorven en hij zal hem waarschijnlijk als gasthuismeester zijn opgevolgd.

In 1378 wordt Werner Lerinck genoemd in het leenregister van het kwartier van de Veluwe: “dat goet ten Velle, gelegen in den kerspel van Brymmen tot eenen Zutphenschen leen ontfinck Werner Lerinck anno 1378". Hij wordt ook in 1392 ,1406, 1419 en 1421 genoemd, soms als Werner Lerinck, een andere keer als Warner Lerinc. Hij was schepen, burgemeester en stadsrentmeester van Doesburg. Hij zegelde met twee smalle dwarsbalken, vergezeld boven rechts (voor de kijker dus links) van een vijfpuntige ster (bron: Muschart).

Uit 1409 is een zegel van hem bewaard gebleven met de naam Warner Leerinc. Hier zien wij voor het eerst de geslachtsnaam met een dubbele e gespeld. In 1422 wordt hij weer Lering genoemd. Bij die gelegenheid zegelde hij met twee dwarsbalken (bron: Muschart).

Warner Leerinc was gehuwd met Styne (achternaam onbekend). Samen verkochten zij in 1438 aan Johan Papen en diens vrouw Armgard Bonen de helft van het goed VerNennenslach in het kerspel Angerlo (regestenlijst 569). Hij behoorde dus ook tot de grondbezitters in het Graafschap Zutphen. Hij had een zuster Kunne (getrouwd met Esschendorp) en een broer Willem. Beiden leefden omstreeks 1437.

Op 21 januari 1415 gaf een zekere Ghert Lerinc opdracht aan Otte Heer van Asperen, Voorst en Keppel en aan Joh., Vrouw van Voorst, Asperen en Keppel, om het landgoed “die ganspuel”, behorende tot het “goet tho Holthusen” te maken tot een “tynsgoed”. Dit is de enige vermelding van Ghert Lerinc in de archieven. Het is niet bekend wat voor functie hij uitoefende en hoe hij zegelde. Hij moet in elk geval een leenman zijn geweest. Op grond van de voornaam zou hij in de rij Gerard Lerinck kunnen horen.

Op 6 april 1424 worden Johan Leringh en zijn vrouw Fya (= Sophia) genoemd in een Doesburgse oorkonde. Zij ontvingen een schadeloosstelling van Maes Scriver en diens vrouw Bertraat vanwege een rente van twee oude schilden ‘s jaars uit het huis genaamd Lombarden. Kennelijk waren Maes en Bertraat verhuisd, want zij vestigden vervolgens een rente van twee oude schilden ‘s jaars op hun huis gelegen naast het raadhuis (regestenlijst 411). Van een zegel is niets bekend. Aangenomen mag worden dat het hier om een nazaat van Johan Lerinck uit 1365 gaat (kleinzoon?).

Werner’s broer Willem wordt tussen 1433 en 1450 verscheidene malen genoemd. Hij zegelde met een in drie rijen geschakeerde dwarsbalk, vergezeld van een kleine hellende ster boven rechts (bron: Muschart). De achternaam werd soms als Leringh, maar ook wel als Lering en Lerinc gespeld. Hij was schepen te Doesburg en houder van verschillende lenen: “Eeckertiende in Dornspijck” (kwartier van de Veluwe) en ten Velde in het kerspel “Brymmen” (dit had hij kennelijk van zijn broer Werner overgenomen). Volgens een genealogie in het Stadsarchief in Zutphen zegelde zijn vrouw Geertruyt met een kraai op een effen veld. Zij zou dus een telg uit het Zutphense geslacht Kreyinck kunnen zijn.

In 1437 ontving zijn zuster Kunne het goed ten Velde “met sijnen tobehoren”. Willem’s vrouw, nu Gertrude genoemd, had in Doetinchem een stuk land (5 morgen). Daarnaast had Willem huizen en land in Angerlo en Drempt. In Drempt verkocht hij op 31 juli 1433 samen met zijn vrouw Geertruyt (hij zelf wordt in de regestenlijst Willam genoemd) een vierde deel van het goed “die Nye hoff” aan Johan van der Hovelwisch.

In 1450 was er in Doesburg een rechter die Herman de Bose [1] werd genoemd. Hij had een zoon Gerrit de Bose, die met Stijne Lerinx (ook genoemd Stijne Lerinck) was gehuwd. Dit was vermoedelijk een dochter van eerdergenoemde Warner en Styne. Herman de Bose bezat het halve veer bij Wamel, waarmee de overtocht tussen Tiel en Wamel werd geregeld. Gezien het economisch belang van deze plaats aan de Waal moeten de inkomsten uit het veer aanzienlijk zijn geweest. Wij lezen in een oud document: “Herman de Bose, richter tot Doesburch, tuchtigt sijn vrou Aleyt an 15 alde schil sjaers uit de halve veerstat, 1450. Gerit de Bose, erve sijnes vaders Hermans, 27 september 1473. Idem vernijt eedt 12 decembris 1481. Herman de Bose, erve sijnes vaders Gerrit, beheltlick sijner moder Stijne Lerinck die tucht an 15 alde schilde sjaers, 20 aug. 1484. Stijn Lerinx, erve hares soons Hermans, 1494. Gertrud Bosen, huysfrou Andries van Bermtloe, erve harer moder Stijn vorscr. 4 aprilis 1500”.

Vanaf 1469 wordt in Doesburg weer een Warner Lerinck genoemd. Hij zegelde met een in drie rijen geschakeerde dwarsbalk (bron: Muschart). Hij was de machtigste Lerinck die Doesburg gekend heeft. Hij was niet alleen schepen en burgemeester van die stad, maar ook “rigter in het rigterampt Doesborgh”. Daarnaast was hij schatmeester van het Graafschap Zutphen. Hij wordt in 1474 als leenman van “De Hof te Bingerden”, een kasteelachtig landhuis in Angerlo, genoemd. Hoewel het Huis Bingerden nog steeds op de oorspronkelijke plaats te bewonderen is, herinnert weinig er van aan het gebouw waarvan Werner Lerinck ooit de bezitter was. Het is enkele malen verbouwd en in 1945 vonden terugtrekkende Duitse troepen het nodig het in brand te steken (hoewel er geen enkel strategisch belang bij was; het was pure pesterij). Het gebouw dat er nu staat is een verkleinde replica van een achttiende eeuws landhuis. Behalve de Hof te Bingerden had Warner diverse stukken land en “dat guet ten Glinde te Drempt” in leen van het huis Bergh (bron: register op de lenen van het huis Bergh).

Op 30 juli 1474 wordt hij als leenman van het goed “de Potsmate, gelegen in het kerspel Doisborch” genoemd (regestenlijst 996). Op 21 augustus 1490 kreeg hij van het convent Mariengrave volmacht om zich ten behoeve van dit convent als “hulder” te laten belenen met een leengoed in het kerspel “Zevenner”, welk goed destijds door Evert van Enghusen was gekocht en vervolgens op diens broer Gerit Palyk van Enghusen, diens zoon Jacob, diens moeder Elizabeth en haar dochter Griete was vererfd. De familie Enghusen was overigens de trotse bezitter van een paleisachtige Havezathe in de plaats Enghuizen.

Op 11 september 1490 wordt Warner (nu Leringh) samen met Gerit Gruter (burgemeester van Arnhem) genoemd als leenman van het goed “die Horst of Bollartz, guet in het kerspel Angerloe”). Op 21 juni 1491 zegelde hij als stadhouder van Johan van Ghemen, Onderlanddrost van Zutphen.

In een oorkonde van 17 februari 1495 machtigde hertog Karel van Gelre “Berend van Holthuizen en Warner Lerink de bierassijs te heffen in de Graafschap Zutphen”.

Op 2 oktober 1498 beval de hertog, eveneens in een oorkonde “Werner Lerynck 125 gulden te betalen”. De Hertog had een schuld bij het Grote Convent in Doesburg en Werner moest namens hem het geld heffen bij de eerstvolgende ruiterheffing of schatting en dit aan het Convent afdragen (regestenlijst nr. 1222).

Van Warner zijn zeker vijftig oorkonden bewaard gebleven. Daarbij zegelde hij altijd in functie van rechter. Hij zegelde dan met de in drie rijen geschakeerde dwarsbalk, steeds in groene was. Er zijn in het Oud-Archief Doesburg nog veel van die zegels te bewonderen. Warner is in 1509 overleden. Op 13 november 1509 werd bepaald dat zijn weduwe Bernde van de stad Doesburg een rente van negen goudguldens ‘s jaars zou ontvangen (regestenlijst nr. 1312). Op 1 juni van dat jaar was Warner nog als executeur-testamentair opgetreden (regestenlijst 1266). In de tussenliggende periode moet hij dus zijn overleden. Hij was de laatste van de Doesburgse tak die deel uitmaakte van de magistratuur. Er zijn na hem in Doesburg geen zegels, oorkonden of leenakten meer te vinden waarbij een Leerink of Leering heeft gezegeld.

Ongeveer vijftig jaar na Warner wordt nog een nakomeling in Doesburg genoemd. Het is Henrick Leerinck, die een vrouw Sweertsen (voornaam onbekend) huwde. Dit moet voor 25 april 1567 zijn geweest, want op die datum wordt een onmondig kind van dit echtpaar genoemd. Het is niet bekend wie de ouders van Henrick waren. Waarschijnlijk was hij een kleinzoon van Warner. Hij is nog een tweede keer gehuwd, dit keer met Elsken Gerrits, in de tweede helft van het jaar 1567.

Henrick moet de stamvader van de tak Neede zijn, omdat volgens de Heraldieke Bibliotheek daar een nakomeling van Warner Lerinck leefde, zoals ik in deel III liet zien.

In mijn boek "Zeven letters, zeven eeuwen" beschrijf ik uitvoerig hoe de Lerincks van Neede verder zijn vertakt en hoe de Leerings in Zuid-Holland en het Westen van de provincie Utrecht aan hen verwant waren (voor isbn-nummer zie Leerink Zutphen, deel 1, voetnoot 1.

Voetnoten bij deel IV

[1] Herman de Bose is Herman van Mekeren, vertegenwoordiger van een oud adellijk geslacht in Doesburg