Reünie

                        

1967 Norddeutsche Tiefebene                                          Herbert, Hendrik und Theo                Drüben sind die DDR-Panzer. Üben fúr den Ernstfall.

Gisteren trof ik een aantal van mijn oude dienstkameraden op een militair-historisch beladen plek, de heide bij Soesterberg, waar nu het Nationaal Militair Museum staat. Vijftig jaar geleden namen de meesten van ons voorgoed afscheid van het leger, waarin wij als 19- en 20-jarigen dienst hadden moeten nemen. Nu is de jongste van ons 70; de oudste, onze vroegere commandant, is 84. De helft van toen was naar de reünie gekomen.

De anderen konden of wilden niet. Het is een gekke gewaarwording om al die mannen, met wie je achttien maanden in soms bizarre omstandigheden je leven hebt gedeeld,   weer terug te zien. Sommigen bewogen zich voort met hulpmiddelen. Er zijn er ook, die al in het sluimerrijk tussen weten en vergeten leven. De meesten oogden gelukkig nog geestelijk en fysiek gezond, al zijn wij natuurlijk niet meer zo "rap van lijf en leden" als de huzaren in het Huzarenlied. Tien procent van ons is "aan gene zijde".

Dat de NAVO ons ooit de verdediging van de Noordduitse laagvlakte heeft toevertrouwd, is een twijfelachtige eer. Ze hadden ons uitgerust met een pistool (Browning), een machinepistool (Uzi), enkele handgranaten en een machinegeweer (MAG), bovenop onze 20 Centuriontanks, die al 10 jaar oud waren.

Zo reden wij dan langs de grens met de DDR. Aan de andere kant reden jongens met de zelfde leeftijd rond in modernere Russische tanks, die onze tanks ongetwijfeld bij een conflict in stalen doodskisten zouden veranderen. Die gedachte dronken wij maar weg met goedkope rum en whisky uit de PX-store van de Engelse bondgenoten.

Zo mijmerde ik. Een gids leidde ons intussen langs al het wapentuig, dat de Nederlandse Krijgsmacht in de afgelopen tweehonderd jaar had aangeschaft.

Wat een verspilling, zuchtte een van ons.

Maar dat kun je toch niet zeggen, vind ik. Als we dat tuig niet hadden gehad, waren wij misschien onder de voet gelopen, net als in de zestiende eeuw door de Spanjaarden, in 1795 door de Fransen en in 1940 door de Duitsers, met alle ellende van dien.

Daarom heb ik toch niet het gevoel dat het helemaal voor niets is geweest. Overigens vertelde onze toenmalige ritmeester, die later als luitenant-kolonel bij de Militaire Inlichtendienst is geëindigd, dat hij tijdens die laatste functie had ontdekt, dat de Russische Tanks nog vaker kapot waren dan de onze. "Ja", zei iemand, "maar ze hadden er wel tien keer zoveel".