Dichter, denker, dromer

Het boek "Het duistere licht", waaraan ik momenteel werk, behandelt de invloed van de gnosis op, resp. de waanzin van Friedrich Hölderlin, een van de grootste Duitse dichters. Het is de verdere uitwerking van een onderzoek dat ik lang geleden deed. Omdat een vriend en mijn vrouw bleven aandringen, heb ik het in het Nederlands herschreven, zodat mensen die zich voor het onderwerp interesseren, maar de Duitse taal minder goed machtig zijn, het kunnen lezen. Ik draag de “remake” op aan Sjef Göertz en aan Maria.

Voor mij zelf was het interessant om na te gaan of er in mijn opvattingen iets is veranderd tussen de dagen dat ik het onderzoek deed – ik was toen begin dertig – en de dagen dat ik het herschreef - ik ben nu zeventig. Ik stel vast dat ik het nog bijna net zo boeiend vind als toen. Ik heb daar, waar de ingevingen en de taal van mijn jeugd mij nu wat overmoedig lijken, wijzigingen aangebracht; ook heb ik hier en daar wat “geshuffled” en anders geformuleerd.

Op één eerder standpunt heb ik mijn mening gewijzigd en dat is de vraag wie de geadresseerde was in de briefroman Hyperion. Aanvankelijk dacht ik dat met deze persoon de filosoof Schelling was bedoeld, Hölderlin's studievriend  en kamergenoot. Nu denk ik dat het niemand minder is dan Marcion, stichter van een kerk die in de gnostische traditie staat en wiens werk door Schelling werd bestudeerd en door Hölderlin gelezen.  

Ook kreeg ik tijdens het herlezen van Hyperion een gelukkige inval met betrekking tot de raadselachtige leraar Adamas. Ik denk nu te weten wie er mee bedoeld is. Zijn alterego is te vinden in de esoterische wereld van een Duits mysticus, die door Goethe, Schiller, Klopstock en Pestalozzi werd gekend. Dit lid van de Illuminati was een bewonderaar van de protestantse mysticus Jakob Böhme, die op zijn beurt Hegel en Schelling, Hölderlin's studie- en kamergenoten in Tübingen, heeft geïnspireerd. Ik  heb een nieuw hoofdstuk aan deze vondst besteed.

Op het gebied van de Hölderlinforschung is met de jaren een aantal interessante tekstinterpretaties verschenen, maar niemand heeft het verband gezien, dat ik zo'n veertig jaar geleden vond en nu opnieuw ontdekte. Men is niet heel anders naar Hölderlin gaan kijken dan men het in de jaren zeventig van de vorige eeuw deed. Ik heb een nieuw hoofdstuk besteed aan de vraag waarom dat zo is.

Ik heb wel vastgesteld dat er sprake is van accentverschuivingen in het Hölderlin-onderzoek. Was de  benadering in de tweede helft van de vorige eeuw eerder politiek gekleurd, zo lijkt men nu vooral naar Hölderlin als filosoof te kijken. Wat waren de invloeden van Spinoza, Kant en Fichte op Hölderlin? Wat was Hölderlin’s invloed op Fichte? Belangrijke publicaties op dit gebied van de professoren Dr. Violetta Waibel (Wenen) en Dr. Bärbel Frischmann (Erfurt) zijn verschenen. Zij gaan niet zozeer in op het poëtisch werk van Hölderlin, maar maken wel zijn positie in het Duitse Idealisme duidelijk. We leren er van dat Hölderlin behalve dichter ook denker was, ook al zou hij rond 1800 het dromen boven het denken stellen.

Er is één belangrijke ontdekking (de "Nürtinger Pflegschaftsakten") gepubliceerd die meer licht werpt op Hölderlin’s geestelijke toestand, maar die verandert niets aan mijn inzichten met betrekking tot de invloed van de gnosis op Hölderlin.

De Belgische germanist Prof. Dr. Bart Philipsen deed tot mijn genoegen Hölderlin recht, door diens latere werk op de juiste merites te beoordelen. Ook zijn interpretatie van het gedicht "Andenken" sprak mij aan.

Wat mij heeft gesterkt in mijn opvattingen over Hölderlin’s geestestoestand is de recente lectuur van een boek van de Engelse classicus / historicus Robin Lane Fox over de kerkvader Augustinus. Met name de opmerkingen over de leer en de  volgelingen van Mani, waar Augustinus enige tijd toe behoorde, waren wat in de Duitse taal een “Fundgrube” wordt genoemd. Ik meende de twijfel en de onzekerheid van oud Mani-adept Augustinus bij Hölderlin te herkennen. Deze blik op de gnosis, die ik eerder niet kende, was een welkome aanvulling op wat ik in mijn eerdere werk over Hölderlin's perceptie van de gnosis had geschreven. Ik werd op het spoor van Augustinus gezet door een vroegere collega, de historicus drs. Wiebe Brouwer.

Zaakliteratuur uit het Angelsaksische en Duitse taalgebied heb ik zelf in het Nederlands omgezet, maar (passages uit) Hölderlin’s werk heb ik onvertaald gelaten. Ik ben geen literair vertaler en wil zijn bijzondere werk geen geweld aandoen. De lezer moet dus de strijd aangaan met het Duits van Hölderlin, dat vaak ongebruikelijke grammaticale constructies als de “Vorgenitiv” of deleties bevat, in Griekse metrische vormen is gegoten en in een voor ons vreemde spelling is geschreven (er waren in Hölderlin's tijd geen spellingregels voor het Duitse taalgebied en hij ging het Zwabisch ook niet uit de weg).

Ik moest tijdens mijn onderzoek vaak denken aan deze omschrijving van de Gordiaanse knoop:  “In Gordion, de vroegere hoofdstad van Frygië, stond de oude strijdwagen der koningen, waarvan het juk met een kunstvolle knoop aan de disselboom was bevestigd. Volgens de sage zou diegene koning van Kleinazië worden, die in staat zou zijn de knoop te ontwarren. Alexander de Grote doorkliefde hem in 334 na Christus met het zwaard”. [1]

Wat is beter? De knoop doorhakken? Of de lange ingewikkelde weg van het ontwarren van de knoop? Ik ging voor het laatste, het langdurige proces, waarbij elk aspect wordt bekeken, ook aspecten die buiten mijn eigen discipline, de germanistiek, liggen. Het werk van Hölderlin is een eclectisch geheel. Hij putte uit het werk van de manicheïsten, de mandeeërs en Marcion. Hij heeft Kant's ideeën gebruikt, naast het werk van schrijvende tijdgenoten met een occulte achtergrond. Hij was een tijd onder de indruk van Spinoza's pantheïsme. Hij hield van Fichte, de idealist en vermeend atheïst. Hij adoreerde de oude Grieken, maar had ook belangstelling voor de metafysica van de Oriënt. Hij was dichter, denker en dromer. Een gecompliceerd geheel.

[1] Wörterbuch der Antike, onder “gordischer Knoten”