Bij Freud op de canapé

"Wat zit u dwars, mijnheer Leerink?"

"Nou, eigenlijk niets, dokter. Het is meer iets dat ik niet kan verklaren. Ik dacht dat u misschien mijn psyche eens kon analyseren. Twee jaar geleden overkwam mij iets vreemds toen ik een liedje hoorde. Sindsdien ben ik bezeten door een gevoel, dat ik misschien het beste als het "Achterhoek-gevoel" kan beschrijven".

"Hoor ik het goed, mijnheer Leerink, u zegt bezeten?"

"Ja dokter, het beheerst mij. Ik vertoon obsessief gedrag. Ik hoor de hele dag teksten in mijn hoofd. Ik moet altijd maar cd's afluisteren. En ik ben in de afgelopen twee jaar misschien wel dertig keer naar het gebied aan de andere kant van de IJssel gereden, naar de gekste plaatsen, waar nog nooit iemand van gehoord heeft, om kermissen en partijen te bezoeken. Ik ben ook verhalen in het Achterhoekse dialect, mijn moedertaal, gaan schrijven" . 

"Hebt u een sterke moederbinding mijnheer Leerink?"

"Uhm, moederbinding? Ja, eigenlijk wel. Mijn moeder kwam uit de Achterhoek, net als mijn vader. Ik ben er trouwens ook geboren, maar ze hebben me er na elf jaar uit gerukt. Ik werd zoals de Duitsers dat zo mooi kunnen zeggen "abgenabelt" en ik denk dat ik dit nooit verwerkt heb". 

"Sabbelt u wel eens op een sigaar, mijnheer Leerink? En waar denkt u dan aan?"

"Ik rook niet meer. Maar als ik langs een maisveld loop, kan ik het niet laten om een maiskolf te stelen en die langzaam af te sabbelen.  En dan denk ik inderdaad aan mijn moeder. Ik heb dat ook met die kleine witpaarse knollen, die je bij de betere groentenboer nog wel eens tegenkomt. Het liefst eet ik die bij een temperatuur van 37 graden celsius. Maar of dat nou iets met mijn moeder te maken heeft?"

"Laten we eens terug keren naar dat liedje. Wat was dat voor een liedje?"

"Het ging over een jongen, Berend,  die een meisje zoekt, hij ziet er een lopen en spreekt haar aan. Ik zou dat nooit durven. Veel te verlegen. Maar Berend weet zich zelf goed te verkopen. Hij begrijpt wat vrouwen leuk vinden: in het voorjaar samen langs de akker lopen, naar de kievitten luisteren en bij de beek in het gras zitten. Niet zonder gevaar overigens, want het vee dreigt door de omheining te breken. Maar daarom houdt hij haar hand ook vast. En hij belooft haar dat ze alles krijgt wat hij bezit en dat is heel wat. Van zijn ouders zal ze geen last hebben, die heeft hij apart gezet. Toen ik dat liedje hoorde kwam mijn hele jeugd terug, die ik lang in een kast had opgesloten".

"Gaat u door, mijnheer Leerink. Wanneer hebt u voor het laatst aan uw moeder gedacht?"

"Nou, gisteravond nog, in Groenlo. Daar speelde de band die dat liedje op een cd heeft gezet. Die band is een van mijn obsessies. Zij praten net als mijn oma, die zei altijd "boh foi toch!". Dat betekent "tsjongejongejonge". Er gebeurt altijd iets geks als ik die mannen hoor spelen. Dan gaat mijn bloed koken, het stijgt volgens mij boven de 37 graden celsius uit. Niet ongevaarlijk lijkt mij en daarom zit ik ook hier".

"Nou mijnheer Leerink, het lijkt mij een wedergeboorte. Symbolisch dan. Lijdt u pijn bij uw wedergeboorten?"

"Rugpijn en oorpijn. En soms een blauwe teennagel, als die boerenjongens weer eens op mijn tenen zijn gesprongen. Maar het gekke is dat ik dit niet erg vind, ik vind het juist wel lekker. Gisteravond speelden ze twee liedjes die ze anders nooit spelen, twee van mijn favorieten. Daar kreeg ik een heel bijzonder gevoel bij. Of nee, eigenlijk voelde ik niets. Ik ging zweven, er viel een last van mij af. Het was alsof ik opging in de massa die daar stond te dansen. Ik voelde eenheid in verscheidenheid. Ik voelde me met iedereen verbonden die daar was. "Eν καὶ Πᾶν!". 

"Mijnheer Leerink, wat heeft u daar betaald?"

"Ik geloof vijfentwintig euro. Plus het nodige bier, een patatje en een bamischijf. En o ja, een whiskey bij Wissink op de markt. Alles bij elkaar misschien zestig euro, als ik mijn vrouw meetel".

"Mijnheer Leerink, uw sessie bij mij kost tweehonderd euro. Ik raad u aan voortaan uw sessies bij Boh Foi Toch te houden".