Moedertaal

Je moedertaal is de taal waarin je wordt opgevoed. Mijn ouders spraken Nederlands, hoewel ze allebei met het Nedersaksisch waren opgegroeid. Mijn moeder met het Winterswijks, mijn vader met het Aaltens, twee talen waar slechts kleine verschillen tussen bestaan. Nedersaksisch heet nu dialect, terwijl het ooit de echte taal van ik schat 30% van de Nederlanders was. Het werd gesproken in Groningen, Drenthe, Overijssel, op de Veluwe en in de Graafschap. Zelfs in een klein deel van Friesland. In de aangrenzende regio's in Duitsland sprak men dezelfde taal, van Ost-Friesland tot in Westfalen. Binnen de verschillende gebieden waren er  natuurlijk plaatselijke verschillen in uitspraak en vocabulaire. Maar het was toch één taal.

Nu denkt men dat Nederlands (ABN) de echte taal is, maar dat is in feite een geconstrueerde taal. Men kreeg in de negentiende eeuw behoefte aan een standaardtaal, omdat mensen door het hele land steeds meer met elkaar gingen communiceren. Er kwamen treinen, dus men ging reizen. Er kwam telefoon, dus men ging bellen met mensen die een andere taal spraken. Maar iemand die Nedersaksisch sprak kon een Zeeuw moeilijk verstaan, terwijl een Westfries moeite had met het Ripuarisch, dat de Limburgers spreken. Dus moest er een soort gemeenschappelijke taal worden gemaakt. Op zich heel begrijpelijk.

Onderwijzers in het hele land gingen aan de slag. Nu het onderwijs voor iedereen een recht was geworden, kon je mooi ook één taal aan alle mensen leren. Toen gebeurde iets vreemds. Men ging denken dat je slim was als je Nederlands sprak (dan was je immers naar school geweest!) en dat je dom was als je dialect sprak. Terwijl het in feite zo is, dat kinderen die tweetalig opgroeien slimmer en creatiever worden in taal. Ze kunnen ook beter multitasken.

Aan het spreken van Nederlands werd een status toegekend, terwijl de echte moedertalen als iets minderwaardigs werden afgeserveerd. Mijn ouders gingen studeren. Dan kon je "natuurlijk" niet in je eigen taal spreken. Dus spraken ze met hun kinderen Nederlands. Dat is jammer. Gelukkig sprak ik als kind met al mijn grootouders en ooms en tantes en met mijn vriendjes wel in het Aaltens en Winterswijks. Dus ik ben toch een beetje tweetalig opgegroeid. Tot we naar het "Westen" gingen verhuizen. Toen zei mijn nieuwe meester ten overstaan van de hele klas dat ik een "boertjen van buten" was. Dat was zo dom van die man. Maar als kind zei je natuurlijk niets. Je dacht het alleen. De meester had trouwens ook een tongval, iets Noordhollands denk ik. Maar dat had hij zelf niet door.

Dialecttalen zijn meer dan tongval alleen, het zijn echte talen. Ze beleven een revival, al vrees ik dat ze op termijn zullen verdwijnen.

Ik ben na vijfenvijftig jaar weer actief in de taal die eigenlijk mijn moedertaal is. Dat is best moeilijk. Ik ben veel woorden en uitdrukkingen vergeten. Ook een stuk grammatica. En ik spreek met een "Hollands" accent. Maar ik vind het zo'n mooie taal, dat ik er veel tijd in steek. Ik schrijf verhalen in mijn taal. Spreken vind ik nog steeds eng, net als iedereen die voor het eerst in een vreemde taal moet spreken en bang is om fouten te maken.

Binnenkort moet ik met de billen bloot. In de Achterhoek hebben ze een eigen Boekenweek, met prijzen voor boeken die over de streek gaan of die in het Nedersaksisch of het dialect van de Liemers zijn geschreven. Dan geven ze ook een eigen Boekenweekgeschenk, met verhalen in dialecten van de Achterhoek en de Liemers. Daarvoor is een verhalenwedstrijd bedacht. Het thema was dit jaar "de grens". Ik had ook een verhaal ingezonden, waarin ik vertel hoe ik als kind smokkelaar werd (in elke grensstreek werd veel gesmokkeld; men beschouwde dat als een sport, niet als een criminele activiteit!!).

Nu ben ik uitgenodigd om mijn verhaal voor te komen lezen bij de officiële bekendmaking van het Boekenweekgeschenk van de Achterhoek en de Liemers. Ik vind het doodeng, maar ik doe het toch. Voor mijn moedertaal hoef ik mij niet te schamen.